Kinderen

„Hoe voeden we onze kinderen op tot betere burgers?”

Het was de titel van een door de RVU en de Volkskrant georganiseerde bijeenkomst in De Rode Hoed in Amsterdam, waar ik gisteravond heen wilde.

Maar ik kon thuis niet goed wegkomen omdat op AT5, de Amsterdamse televisie, een spannende discussie plaatsvond over de problemen in Slotervaart. Wat te doen met het deel van de Marokkaanse jeugd dat daar onveiligheid veroorzaakt?

Een jeugdige Marokkaanse jongerenwerker, Ismael, vond Ahmed Marcouch, de stadsdeelwethouder, tegenover zich. Ismael maakte zich zorgen over de stigmatisering van jonge Marokkanen, Marcouch hield hem voor: „Ik hoor jou niet zeggen: we moeten ons distantiëren van deze jongens.” Marcouch doelde op de harde kern van relschoppers, die 35 jongens tussen 12 en 17 jaar over wie politiecommissaris Welten het heeft.

Aan alles voelde je dat Ismael het misschien wel had wíllen zeggen, maar niet dáár, in het volle licht van de openbaarheid. Jammer, maar begrijpelijk, want hoe leuk zou het leven voor Ismael nog zijn als hij in z’n eentje openhartig zat te wezen? Goed, Marcouch gaf het voorbeeld, maar hij kan zijn eigen veiligheid gemakkelijker organiseren.

Moeilijk allemaal, maar misschien wisten de mensen in De Rode Hoed het antwoord op die vraag die elke generatie zich overigens al sinds eeuwen stelt: „Hoe voeden we onze kinderen op tot betere burgers?”

Ik trof een zaal vol blakende blanke Nederlanders, vooral moeders. Algauw werden zeer geanimeerd alle mogelijke problemen aangesneden: kinderen die te weinig aandacht kregen van overbelaste ouders, kinderen die aan hun beeldscherm verslaafd raakten, kinderen die te vroeg en te veel aan seks deden.

Toen we alles gehad hadden en net begonnen te geloven dat autochtoon Nederland alleen al aan zichzelf ten gronde dreigt te gaan, kwam Jo Hermanns, hoogleraar opvoedkunde, vertellen dat het, op de keper beschouwd, allemaal reuze meevalt met die opvoedproblemen. „Het opvoeden gaat bij ons in een redelijk relaxte sfeer. Onze jeugd springt er, vergeleken met andere OESO-landen, bijna altijd goed uit.” Een hardere aanpak van de jeugd vond hij dan ook beslist niet nodig.

Een wereldvreemd man? Nee, want ten slotte liet hij zijn blik op de zaal rusten en zei: „Ik zie hier weinig mensen van andere culturen.” Voor hen gold helaas een ander verhaal, legde hij in het kort uit.

Toen kwam Ali naar voren, een Marokkaanse vader van zes kinderen. Hij keek ons vanaf het podium trouwhartig aan, terwijl hij in zijn gebroken Nederlands zei: „Ik heb het moeilijk. De media bedreigen mijn kinderen. Mijn zoon zegt: „Elke dag is er een onderwerp over de islam, in De Telegraaf, in de Metro. Ze willen van mijn kinderen racisten maken. Die kinderen voelen zich niet meer welkom in de samenleving, men noemt ze crimineeltjes.”

Ik hield even mijn hart vast. De zaal had Ali kunnen weghonen, ik had dat daar al eerder meegemaakt. Maar dat gebeurde niet. Men vond dat hij het recht had om te zeggen wat hij voelde, ook in een week waarin ‘zijn’ kinderen de aandacht van de media over zichzelf afriepen.