Jonker van de droevige figuur

Henk van Osch: Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president. Boom, 548 blz, € 35,–

Er zijn nog foto’s van de eerste vergaderingen van het naar Londen gevluchte Nederlandse kabinet in mei 1940. ‘Verregende mussen’ zijn de leden ervan genoemd door Hollandse routiniers die voor Shell, Philips of Unilever de halve wereld afreisden, en die zich nooit hadden gerealiseerd dat men er op het Binnenhof zo uitzag. Drie zijn er ook op latere portretten altijd uitgesprongen. Van Kleffens, met dat diplomatieke eierhoofd. De besnorde Gerbrandy die nog vóór hij een woord Engels sprak al een Engelse bolhoed had aangeschaft. En De Geer. Ook als je niet had geweten hoe treurig het met de laatste zou aflopen, zou je het aan de foto’s van dat oude, mistroostige, wereldvreemde hoofd meteen hebben kunnen aflezen.

De Geer was 68 toen hij in de zomer van 1939 na de val van Colijn V als minister-president de kroon op zijn werk als bekwaam bestuurder mocht zetten. Nog geen maand na de formatie brak de oorlog uit. Als balling in Londen zou hij definitief een jonkheer van de droevige figuur worden: angsthaas, defaitist en tenslotte ‘deserteur’.

Het laatste woord mag tussen aanhalingstekens. De Geer heeft later zelf in alle toonaarden ontkend dat zijn terugkeer in 1941 via Portugal naar bezet Nederland een geval van vaandelvlucht zou zijn geweest. Formeel had hij gelijk. Hij was al door de koningin ontslagen. Toen hij als ambteloos burger een Engels uitreisvisum voor Portugal had verkregen, heeft hij gedaan alsof hij naar Indië wilde doorreizen, waar hij volwassen kinderen had wonen. Maar vóór de Londense achterblijvers het goed en wel in de gaten konden hebben, had hij in Lissabon al contact gelegd met de Duitse ambassadeur die er voor zorgde dat hij via Berlijn kon terugreizen naar zijn vrouw in Den Haag.

Dat hij in Londen tot de ‘defaitistische’ ministers behoorde die in een Duitse overwinning geloofden of zelfs bereid waren via Zweden een afzonderlijke vrede met Hitler te zoeken, was van meet af aan bekend. De woede van het strijdbare deel van de Nederlandse kolonie (Wilhelmina voorop) werd pas echt gewekt, toen hij de ‘veiligheid’ van bezet Nederland verkoos, en de vijand inschakelde om z’n laffe zin te krijgen.

Fascinerend natuurlijk, dat totale demasqué van iemand die zonder oorlog als een gerespecteerde staatsman had kunnen sterven, en naar wie in Soest, Den Haag of Arnhem vast nog pleinen en plantsoenen genoemd waren. In 1947 werd hij wegens ‘benadeling van de staat’ veroordeeld tot één jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Z’n onderscheidingen waren hem al afgenomen. Een paar weken na het verloren hoger beroep kreeg hij bij Koninklijk Besluit ontslag als minister van Staat. God strafte hem nog extra door hem in deze ontluisterde staat tot 1960 te laten doorleven. Toen hij op z’n 89ste doodging waren de meeste Nederlanders hem al weer vergeten.

Een biografie liet op zich wachten, maar is er dan toch nog gekomen – niet van een historicus, maar van een dokter. Huisarts Henk van Osch heeft zich als ‘amateur’ meer dan voortreffelijk geweerd in een materie die vóór het tijdperk van de eerloze val nogal ondramatisch was. Als er knopen doorgehakt moesten worden opereerde De Geer omzichtig, en liever helemaal niet, en enig begrip van wat in de wereld omging was hem vreemd. Als verse minister-president verkoos hij in augustus 1939 het Schwarzwald als vakantieoord. Dat Japan een vijand zou kunnen worden, kwam niet in hem op.

Zonder de jonkheer helemaal te willen schoonwassen, verdedigt Van Osch hem dapper, ofschoon niet altijd met goede argumenten, tegen ‘aanvallers’ als Lou de Jong, Cees Fasseur, H.M. Hirschfeld, en vooral Wilhelmina. ‘Zonder koningin Wilhelmina’, lezen we, ‘zou het noodlot aan De Geer misschien zijn voorbijgegaan’ – een krasse uitspraak.

In zijn goed gedocumenteerde, nuttige biografie heeft Van Osch heel breed en heel systematisch naar het verdrietige einde toe gewerkt, dat hij eigenlijk had willen afschilderen als het laatste bedrijf van een koningsdrama. Dat was het in veel opzichten waarschijnlijk ook.

Het enige wat er aan ontbrak was een koning.