Het goede lezen

Eten zonder te proeven is als de liefde bedrijven zonder te beminnen. Voor lezen gaat hetzelfde op. Steeds luider wordt de stem om boeken waaraan jaren gewerkt is niet op te slokken maar traag, zelfs sensueel te lezen.

Het kan niet in vijftien seconden. Dat weet iedereen die ooit de beroemde Monty Python-sketch over de All-England Summarize Proust Competition zag. Deelnemer na deelnemer struikelde over de opdracht om de zevendelige cyclus Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust ultrakort samen te vatten (de eerste keer in avondkledij, daarna in zwemkostuum) – en uiteindelijk werd de eerste prijs toegekend aan ‘het meisje met de grootste tieten’.

Het kan dus niet in vijftien seconden, maar het kan wel kort. In zijn minigeschenkboekje Greep uit de boekenkast – De wereldliteratuur in ollekebollekes (2002) vatte Drs. P het levenswerk van Proust samen in een achtregelig versje met een ijzeren ritme:

Wie kent die titel niet?

À la recherche du…

Proust, Marcel

Ging naar ’t verleden op zoek

Zelden of nooit kwam een

Tijdverliesgevende

Speurtocht in zo’n

Onvergankelijk boek

En het kan nóg korter. Dat blijkt uit het vorig jaar verschenen boekje One Hundred Great Books in Haiku, waarin de Amerikaan David Bader de klassieken uit de wereldliteratuur de klassiek-Japanse behandeling van 17 lettergrepen geeft:

Tea-soaked madeleine –

a childhood recalled. I had

brownies like that once.

Knipogen zijn het allemaal, spelletjes met een van de grote titels uit de wereldliteratuur. Geen serieuze pogingen om de zeven delen en twaalf boeken van À la recherche du temps perdu recht te doen, laat staan om de lezer te helpen de drieduizend bladzijden en 1 miljoen woorden te behappen. Dan pakt de Britse uitgeverij Orion Books het heel wat voortvarender aan. Een half jaar geleden verschenen daar zes literaire klassieken in een geheel nieuw jasje. Een jasje met korte mouwen, mag je wel zeggen, zonder revers, zonder zakken en voorzien van niet meer dan één knoop. Want de oorspronkelijke boeken zijn met ongeveer 40 procent bekort, zodat er zonder al te veel scrupules geadverteerd kon worden met slogans als ‘David Copperfield in half the time’. En, zoals de uitgever van Orion zei: ‘Het leven is veel te kort om alle boeken te lezen die je zou willen lezen.’

Compact Editions heet de nieuwe serie van Orion, en behalve David Copperfield van Dickens vielen ook Tolstojs Anna Karenina, George Eliots Mill on the Floss, Melvilles Moby-Dick, Thackerays Vanity Fair en Mrs Gaskells Wives and Daughters ten prooi aan de snoeischaar. Natuurbeschrijvingen en lange dialogen werden geschrapt, zijlijnen werden weggesneden, bijfiguren verdwenen, filosofische en politieke uitweidingen werden sterk beknot. De bewerkers van Orion – ‘expert abridgers and academic experts’ volgens de eindredacteur – hebben de smaak te pakken: onlangs verschenen zes nieuwe titels, waaronder Bleak House (oorspronkelijk bijna 1.000 pagina’s) en De graaf van Monte Cristo (1.500 pagina’s).

De reacties in Groot-Brittannië logen er niet om. ‘Literaire liposuctie’ noemde een criticus het; een columnist zei te gruwen van ‘Anna Karenina, the publisher’s cut’; en volgens een professor in de literatuur was het Orion-project (dat honderd bewerkingen moet gaan omvatten) een schending van het recht van de lezer om zijn eigen coupures toe te passen, door bijvoorbeeld passages diagonaal te lezen of hele hoofdstukken over te slaan.

Ook zeer ter zake was de vergelijking die een commentator maakte met het bekijken van de samenvatting van een voetbalwedstrijd: je ziet de mooie goals en de spectaculaire acties, maar je mist de spanning die uitgaat van het onverwachte, van het idee dat het allemaal gebeurt op het moment dat jij zit te kijken. Niemand was erg gevoelig voor het argument van Orion dat het heel gewoon is om in het theater de lange stukken van Shakespeare met een uur te bekorten om het zitvlees van de toeschouwer te sparen.

Toegegeven, het klinkt verleidelijk: eindelijk de grote werken uit de wereldliteratuur lezen, zonder afgeleid te worden door typisch 19de-eeuwse beschrijvingen, of aan te moeten hikken tegen de 300 bladzijden die je na 300 dikbedrukte bladzijden nog wachten. Als ik terugdenk aan de problemen die ik had om tijd vrij te maken voor het uitlezen van Don Quichot, Anna Karenina en Het verdriet van België – stuk voor stuk dikke romans die moeilijk te combineren zijn met werk en gezin – kan ik me wel iets voorstellen bij de markt voor de Compact Editions van Orion. En om maar meteen mijn kaarten op tafel te leggen: ik heb wel eens gepleit voor een ingekorte hertaling van Sara Burgerhart, en zelfs een leeswijzer gegeven voor Moby-Dick, waarin ik mensen met haast adviseerde om 58 van de 135 hoofdstukken over te slaan – een nog rigoureuzer ingreep dan de indikkers van de Orion-editie durven te doen. Maar vooral in het geval van Moby-Dick was dat een onbezonnen suggestie. Wat daarbij verloren gaat is Melvilles visie op de wereld, de transcendentale filosofie, de barokke stilistiek, de uitweidingen over de walvisvaart, kortom alles wat Moby-Dick tot een écht bijzondere roman maakt.

‘De tijd verslindt het leven’ dichtte Baudelaire; le temps mange la vie. Niemand heeft nergens nooit de tijd meer voor. In dat licht bezien zijn de Compact Editions een symptoom van de moderne leescultuur. Een leescultuur die lijkt te worden gedomineerd door snelheid en oppervlakkigheid, door digested reads, crash courses in literature en de tijdbesparende korte verhalen uit de flash fiction. Zelfs het enorme succes van de zogeheten oestrogeenthriller (Saskia Noort, Simone van der Vlugt), de mysterieuze pageturner (Dan Brown, Rhonda Byrne) en de quasipolitieke roman (Khaled Hosseini, Carlos Ruíz Zafón) illustreert de hang naar tempo in de literatuur.

Geen wonder dat her en der tegengeluiden worden gehoord. Veellezers als Harold Bloom (The Art of Reading), Alberto Manguel (Dagboek van een lezer) en Nick Hornby (The Polysyllabic Spree) maakten zich de laatste jaren sterk voor lezen met hindernissen, herlezen, lezen met bijzondere aandacht. De Neue Zürcher Zeitung wijdde een hele bijlage aan Langsamkeit en plaatste daarin onder meer bespiegelingen van Graham Swift over de vraag of de inspanning van een lezer, die in een paar uur, of misschien in een paar dagen een boek uitleest, ooit kan opwegen tegen die van de schrijver, die soms weken aan één passage werkt – en over de vraag of dat er iets toe doet, natuurlijk. En in The Chronicle of Higher Education, een wekelijks Amerikaans blad met een Review op internet, verscheen op 9 februari jl. een oproep tot het vormen van een nieuwe beweging: the slow reading movement.

Auteur van het vijf pagina’s tellende artikel in The Chronicle is Lindsay Waters, uitgever van de afdeling humaniora van de Harvard University Press. In zijn ogen bevindt de wereld, en vooral de Angelsaksische wereld, zich in een leescrisis van ongekende omvang. Hoe kan het ook anders als goed leren lezen al op lagere scholen geen prioriteit meer is; als op middelbare scholen de close reading is afgeschaft ten gunste van cursussen snellezen; en als er op de universiteit wetenschappers van naam rondlopen die ‘methodologieën propageren die het lezen absoluut ontmoedigen’. Onder die laatsten acht Waters de hoogleraar literatuurwetenschap van Stanford University, Franco Moretti, het gevaarlijkst. Die bestaat het om lezingen te geven met de ondertitel ‘How to Talk about Literature without Ever Reading a Single Book’.

Waters besluit zijn artikel met een hartekreet: ‘De rol van de literatuur is om te rotzooien met de tijd, om haar eigen tijd te stellen en haar eigen ritme te bepalen. […] In plaats van zó snel aan literaire werken voorbij te gaan dat ons haar keurig in de scheiding blijft, moeten we treuzelen, aandacht schenken aan de sensualiteit van het lezen, onszelf toestaan om de ervaring van de woorden te ondergaan. [...] Wat ik u vraag is om het lezen te vertragen […] Waar ik om vraag is een revolutie in het lezen.’

Het is Waters menens, en dat komt ongetwijfeld doordat hij hel en verdoemenis aanschouwt in het Amerikaanse onderwijs. Maar zijn pleidooi voor slow reading zou ook bij de alledaagse lezer niet aan dovemansoren gericht moeten zijn. Hoe haastiger de wereld om ons heen, hoe belangrijker het wordt dat we de tijd nemen voor wát we lezen. Niet om al die auteurs van ingewikkelde, dikke, meerdelige, experimentele, klassieke boeken respect te bewijzen, maar om onszelf een genoegen te doen.

Het uitgebreid savoureren van een roman, een gedicht of een filosofisch traktaat verhoogt het leesplezier, zoals het met zorg soldaat maken van een ingewikkelde streekschotel het eetplezier ten goede komt. Het redden uit het verdomhoekje van boeken die in de moderne leescultuur bedreigd worden – Oorlog en vrede wegens de dikte, Ulysses wegens de experimenteerzucht, Der Tod des Virgil wegens de onmodieuze moeilijkheidsgraad – is vergelijkbaar met het op tafel zetten van een maaltje Bossche beuling, schorseneren en jutteperentaart. Want hoewel Waters het misschien niet zo bedoeld heeft, doet zijn pleidooi voor slow reading sterk denken aan de slow-foodbeweging zoals die begin jaren negentig in Italië opkwam. ‘Eten zonder te proeven is als de liefde bedrijven zonder te beminnen’, zei de Italiaanse Nobelprijswinnaar Dario Fo in 2000. En mutatis mutandis geldt hetzelfde voor lezen zonder je over te geven.

Er is nog een analogie: een fascinerend experiment van de Amerikaanse dichter en kunsthistoricus T.J. Clark. Vier maanden lang had hij elke dag lange tijd gekeken naar twee van zijn favoriete schilderijen van Nicolas Poussin: Paysage avec un homme tué par un serpent (‘Landschap met een man die door een slang gedood wordt’, 1648) en Temps calme (‘Rustig weer’, 1650). In het boek dat hij erover schreef, Sight of Death – An Experiment in Art Writing (2006) maakte hij duidelijk hoe herhaaldelijk kijken beloond wordt. Hij beschrijft hoe de schilderijen veranderen onder invloed van het licht dat in het Getty Museum naar binnen valt, en vooral hoe hij steeds meer dingen gaat zien die bij oppervlakkige beschouwing verborgen waren gebleven: bijzondere schaduwen, aparte details, optische grapjes, zelfs perspectieffouten. Nog belangrijker is een ander gevolg van zijn geconcentreerde kijken: hij is gevoeliger is geworden voor de essentie van de schilderijen.

Doe als T.J. Clark, maar dan met boeken. Wees een Lindsay Waters. Bereik het eeuwige lezen. Herlees, read close, kauw op zinnen en alinea’s, lees in de breedte. Stel grote projecten als de Aeneis, À la recherche du temps perdu en Finnegans Wake niet uit tot na het spreekwoordelijke pensioen. En neem er rustig de tijd voor. Vergilius, Proust en Joyce waren bij hun dood nog niet klaar met schrijven, dus waarom zouden wij bij de onze klaar moeten zijn met lezen?