Haat is mijn houvast

De nieuwe roman van Arthur Japin is een ouderwetse western met scalplustige roodhuiden en brave pioniers. Wat Japin toevoegt aan de geschiedenis is psychologie.

Arthur Japin: De overgave. De Arbeiderspers, 366 blz. € 19,95. Het luisterboek (10 cd’s), gelezen door de auteur, verscheen bij Rubinstein. € 29,95

Twee Afrikaanse prinsjes uit de 19de eeuw. De eerste geliefde van Casanova. Twee bewoners van een lilliputterdorp in nazi-Duitsland. Een pioniersvrouw in het Wilde Westen. Er is niet veel dat deze historische figuren gemeen hebben. Behalve dit: het zijn buitenbeentjes die voortdurend het risico lopen om verschoppelingen te worden; en ze zijn door Arthur Japin vereeuwigd in ouderwetse historische romans.

De recentste in het bovenstaande rijtje heet Sallie (‘Granny’) Parker. Zij is de vertelster én hoofdpersoon van De overgave, een documentaire roman tegen de achtergrond van de moeizame kolonisatie van Texas in de 19de eeuw. Granny Parker is oud, nog niet zo oud als ‘Little Big Man’ in het gelijknamige indianenverhaal van Thomas Berger, maar het scheelt niet veel. En ook zij ‘has lived to tell’. Dat laatste doet ze in de vorm van een lange monoloog met veel flashbacks – een monoloog waartoe ze is aangezet door een ontmoeting die haar leven, al is dat aan zijn einde, nog één keer overhoop zal gooien.

Geen western zonder ‘showdown’, en het getuigt van respect voor de traditie én gevoel voor humor dat Japin zijn Granny Parker op klassieke wijze, maar met een knipoog, de confrontatie laat aangaan met haar tegenstander, het jonge Comanche-opperhoofd Quanah dat door een speling van het lot haar achterkleinkind is. Hoe, en wat de ontmoeting in mei 1875 voor gevolgen heeft, vormt de kern van De overgave, dat een periode van vijftig jaar beslaat.

Het verhaal van Granny Parker is berucht in zuidoostelijk Amerika. Naar Texas geëmigreerd met haar tweede manoverleeft ze de barre omstandigheden en komt ze de onafhankelijkheidsstrijd tegen Mexico ongeschonden door. Maar nog geen drie maanden na het uitroepen van de Republiek Texas (1836) wordt Fort Parker overvallen door een groep Comanche-indianen. In een orgie van bloed wordt haar man met zijn zoons verminkt en vermoord, wordt zij zelf aan de grond gespietst en meermaals verkracht, en worden vijf familieleden gevangen genomen. Twee daarvan ziet Granny snel (maar zwaar getraumatiseerd) terug, maar op haar kleindochter Cynthia Ann moet ze een kwarteeuw wachten. Die is dan getrouwd met de zoon van het Comanche-stamhoofd en indiaans geworden.

‘Zoals altijd,’ schrijft Japin in zijn nawoord, ‘is de historische werkelijkheid extremer dan ik zou kunnen denken en in dit geval zelfs gruwelijker dan ik heb durven gebruiken.’ Hij stelt zich dus terughoudend op, hoewel de Sam Peckinpah-achtige wreedheden evengoed van de bladzijden spatten. De overgave is in sommige opzichten een pre-revisionistische western, waarin de roodhuiden weer de scalplustige tegenstanders zijn van brave pioniers, die proberen het hoofd boven water te houden in een door-en-door vijandige omgeving. Maar Japin voegt ook iets toe aan de waargebeurde geschiedenis, en dat is psychologie – naar het recept van zijn grote voorbeeld uit de historische romanliteratuur, Marguerite Yourcenar.

Granny Parker draagt wonden met zich mee die nooit zijn geheeld. Zij wil wraak voor de moord en vernedering van haar grote liefde, wraak voor de mishandeling van haar familie, wraak voor de hersenspoeling van haar kleindochter. Wat er met Granny gebeurt als ze gaat praten met Quanah is te vergelijken met het temmen van wilde paarden. Dat is gebaat, zo heeft ze van haar echtgenoot geleerd, bij het vermogen je aan het paard over te geven – iets wat deze hard-headed woman voor geen greintje bezit. De jonge indiaan gelukkig wel, en zo krijgt Granny de kans zich te verzoenen met haar verleden.

Dat klinkt zoetsappig, maar De overgave is meer dan een roman met een rond einde. Het is ook een boek over verdriet, de verwerking daarvan en over hoe moeilijk het is om te vergeven. Granny schetst zichzelf als een vrouw van ijzer. Ze heeft het moeilijk gehad, maar ze heeft het ook zichzelf erg moeilijk gemaakt. Niet voor niets is haar motto: ‘Huilen is voor mensen die nooit iets hebben meegemaakt.’

De overgave wemelt van dit soort mooie oneliners. ‘Gebrek aan nieuwsgierigheid is doodsoorzaak nummer één.’ ‘Een mens kan beter vergaan van hoop dan wanhoop.’ Ze zijn ingebed in een verhaal dat af en toe heel spannend is en veel vaker ontroerend, vooral in de beschrijvingen van Granny’s pogingen om haar verindiaanste familieleden weer terug te halen naar de beschaafde wereld. Uit de literatuur weet Japin hoe hardvochtig er in het Westen anno 1850 werd gereageerd op vrouwen die ‘bezoedeld’ waren door indianen, en hij maakt daar op een vakkundige manier in zijn roman gebruik van.

Voor zijn examen ‘de literaire western’ is Japin met een ruime voldoende geslaagd, maar dat neemt niet weg dat er een belangrijk aspect van De overgave is waarmee de kritische lezer het moeilijk zal hebben: de vertelstem. Granny Parker klinkt ‘gewoner’, om niet te zeggen braver, dan je zou verwachten, en zeker dan je zou willen. De wereld rondom haar komt tot leven, maar zijzelf veel minder. Die laatste constatering is overigens ook van toepassing op eerdere Japin -romans als Een schitterend gebrek (2003) en De grote wereld (2006). Kennelijk is die uniforme stem onlosmakelijk met het schrijverschap van Arthur Japin verbonden, en is het onredelijk om te verwachten dat hij van zijn nieuwste romanheld een uniek formulerend personage maakt. En zo is er – behalve hun historische status en hun buitenstaanderschap, nóg iets dat al Japins personages gemeen hebben.

ArthurJapin treedt net als P.F. Thomése op tijdens het Lezersfeest op 3 november in de Centrale Bibliotheek Rotterdam. Inl.: www.bibliotheek.rotterdam.nl/lezersfeest