Geen puntjes op de lange ij

De historicus Han van der Horst portretteert de premiers die God, Vaderland en Oranje in de vorige eeuw hebben gediend. Met veel plezier, maar wat te weinig analyse.

Han van der Horst: Onze premiers (1901- 2002). Hun weg naar de top. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 454 blz. € 22,50

De geschiedenis van Nederland is eigenlijk vrij overzichtelijk. Zelfs die gruwelijke 20ste eeuw is globaal onder te verdelen in elf tijdsgewrichten van elke ongeveer een decennium, de korte historische golf. Soms waren het lange decennia, soms raadselachtige korte decennia. De bezetting is in deze reeks de grote uitzondering.

Het voordeel van dit soort schema’s is dat je de geschiedenis er wat makkelijker door kunt oppakken en meenemen. En dat is precies wat Han van der Horst heeft gedaan. In Onze premiers (1901-2001). Hun weg naar de top portretteert hij de 21 premiers die God, Vaderland en Oranje in de 20ste eeuw hebben gediend.

De politieke en maatschappelijke verhoudingen, waarin zij hun weg moesten vinden, varieerden uiteraard. De eerste minister-president had te maken met een Tweede Kamer die op basis van censuskiesrecht was samengesteld en dus relatief hautain ten opzichte van het volk kon opereren. De laatste sneuvelde in een Tweede Kamer die haar eigen legitimatie niet meer vertrouwde en zich daarom in de gekste bochten wrong om bij de burgers in het gevlij te komen. Beiden, te weten Abraham Kuyper (premier van 1901 tot 1905) en Wim Kok (1994- 2002), probeerden desondanks hun eigen sociale en culturele achtergrond in ere te houden tot het politieke einde er op volgde.

Wat de Spoorwegstaking van 1903 was voor Kuyper, bleek Srebrenica uit 1994 voor Kok. De eerste begreep op het kritieke moment geen snars van de nieuwe gedaante waarin de ‘sociale quaestie’ zich aandiende en vooral niets van de rol die de moderne arbeidersbeweging daarin opeiste, zozeer was hij gevangene van zijn eigen ‘kleine luyden’ gebleven. De laatste moest uiteindelijk het antwoord schuldig blijven op de nationalisering en provincialisering van de politieke verhoudingen, waardoor de internationale aspecten van het drama-Srebrenica uit beeld verdwenen.

Het was geen van beiden persoonlijk te verwijten. Ze misten de politieke snaar om de nieuwe tijd te begrijpen én te grijpen. In die zin belichaamde zowel Kuyper als Kok de complexiteit van de overgangstijd waarin ze regeerden.

Ook de negentien premiers tussen Kuyper en Kok waren op hun manier een personificatie van een van de ruim tien periodes. Eindeloos veel valt er over die 21 mannen te zeggen. En dat doet Han van der Horst ook. Hij heeft een ongebreidelde belangstelling voor de sociaal-culturele component in de politiek, voor het minuscule standsverschil waarover de elite zich druk maakt. Hij weet dat het belangrijk kan zijn aan welke kant van de spoorlijn een politicus geboren is. Zij die aan de lagere kant zijn opgegroeid moeten hun klassenressentiment immers overwinnen en zij die aan de hogere kant zijn getogen juist hun sociale dedain.

Die voorliefde voor ogenschijnlijke details leidt tot mesjoche anekdotes en hilarische wendingen. Zo is het goed om te weten dat Pim Fortuyn niet de eerste politicus was die zichzelf chiquer wilde voordoen – ‘pimpen’ in het hedendaagse taalgebruik – door de puntjes op de ij weg te laten zodat er een wat elitairdere y zou overblijven. De zoon van dominee Jan Frederik Kuijper uit Maassluis ging hem voor.

Bovendien kan Han van der Horst lekker schrijven. Hij neigt naar een archaïsche stijl, maar die neiging heeft hij steeds net op tijd onder controle. Zijn eerste zinnen zijn onweerstaanbaar. Een paar voorbeelden:

‘Van alle merkwaardige partijen die het Nederlands politiek bestel heeft voorgebracht, is de Christelijk-Historische Unie wel de merkwaardigste’. Waarna De Geer aan bod komt in een hoofdstuk dat op de keper beschouwd ontroert door de overdaad aan arrogante onnozelheid van de CHU’er.

‘Aan de reputatie van premier Colijn valt niet veel meer te redden. Hij is de kwade genius in een zwarte legende die sinds de Tweede Wereldoorlog wordt verteld’. Het is de opmaat tot een behoorlijk revisionistisch portret van de antirevolutionaire militair en oliebaron in de politiek. Colijn was veel beter dan hij leek.

‘Premier Dries van Agt was nooit ver weg van de goede dingen des levens. Hij hield van een slokje op zijn tijd en van een behoorlijke maaltijd’. Het is niet het begin van een afgebladderd clichéportret maar van een schets hoe deze echte conservatief eerder dan wie ook begreep dat de christen-democratie een normerende opdracht heeft.

Ook de andere portretten in Onze premiers zijn stuk voor stuk mooi en steels. Aan geen enkele minister-president heeft Van der Horst een hekel, al gaat hij wat ver in zijn verdediging van Joop den Uyl (1973-1977) door wél te schrijven dat de PvdA’er als minister onder Van Agt in 1981 de ziektewet wilde versoberen, maar niet dat tijdens zijn premierschap de WAO juist werd opgetuigd. Over het algemeen voldoen zijn biografische notities echter aan het criterium dat elke historicus zou moeten willen nastreven: namelijk op mythes jagen. Dat het boek zowel een register als een bibliografie en notenapparaat mist, is daarom, mild uitgedrukt, merkwaardig. Wie feiten en fouten wil verifiëren, wordt niet bepaald geholpen.

Problematischer is dat niet helemaal duidelijk wordt waarom het Han van der Horst te doen is in Onze premiers. Geen misverstand: op bijna elke pagina valt wel iets te leren of te lachen. Hoe de mannen de weg omhoog hebben beklommen, al dan niet tegen wil en dank, wordt helder in kaart gebracht. De uitstapjes naar analoge situaties eerder of later in de geschiedenis zijn zelfs heerlijk. Het maatschappelijke klimaat waarin dat gebeurde, wordt eveneens zorgvuldig beschreven.

Maar de cruciale machtsverhoudingen tussen persoon en partij – anders gezegd: de ruimte van de individuele politicus en de beperkingen waarbinnen hij moet opereren – blijven onderbelicht. En wat de premiers vervolgens hebben gedaan en bereikt, komt nu eens wél aan de orde en dan juist weer niet. Alsof de auteur soms zijn vingers niet durft te branden aan een historiserend oordeel en zich dus liever verschanst achter zijn aanstekelijke stijl.

De ondertitel ‘Hun weg naar de top’ wekt weliswaar geen valse verwachtingen, maar toch is dat onbevredigend. Omdat Van der Horst ook binnen deze beperking geen zevenmijlslaarzen durft aan te trekken, ontbreekt uiteindelijk een rode draad. En dat is jammer. Want de inzet van Van der Horst is hoog.

Wat rest is een knotsgek boek, een boek om huisgenoten uit voor te lezen in de hoop dat ze ook tranen in hun ogen krijgen van het lachen. Kortom, een leesboek, geen leerboek.