Gedroomde joekels

In een tweewekelijkse rubriek over boeken die onopgemerkt bleven schreef Guus Middag onder meer een ode aan het ultieme moederschip, de zeppelin.

De trechterbekervolkeren hadden hun trechterbekercultuur, herkenbaar aan de trechterbekers. En de klokbekervolkeren hun klokbekers. De Egyptenaren gaven ons hun piramiden. De Chinezen de Chinese muur. En de Stonehengers Stonehenge. Zo laat iedere cultuur zijn sporen na. Maar wat nu met de joekelcultuur? Bijna niemand weet het nog, en over honderd jaar vermoedelijk helemaal niemand meer, maar in het begin van de 20ste eeuw heeft er op enkele plaatsen in de wereld, maar vooral in Duitsland, een levendige joekelcultuur bestaan. Bijna alle sporen ervan zijn nu al uitgewist.

Prijzen wij ons daarom gelukkig met een dik fotoboek waarin zij nog net is vastgelegd, in zwart-wit, op groot formaat. Het draaide in de joekelcultuur allemaal om joekels van luchtschepen. Ik wist niet dat ze ooit bestaan hebben: zeppelins van bijna 250 meter lang en tientallen meters hoog. Ze werden vervaardigd in nog grotere joekels van hangars. En ze konden nog vliegen ook, en zelfs snel en ver. En als ze aangekomen waren, bijvoorbeeld na een oversteek over de Atlantische Oceaan, werden ze naar enorm uitgestrekte aankomstweiden geleid en naar joekels van garages gereden, als kathedralen zo groot, om uit te rusten en verzorgd te worden, vanaf onwaarschijnlijke karretjes met joekels van houten ladders erop. Tienduizenden mensen zijn ermee vervoerd.

Kenmerk van de joekelcultuur: alles was groot. We zien een foto uit 1929, vanuit de lucht, van de Grote Markt in Haarlem, volgestroomd met mensen die omhoog kijken. De zeppelin zelf zien we niet, maar alleen al de walvisvormige schaduw ervan die over de daken glijdt is angstaanjagend groot. Andere foto: een joekel van een zeppelin meert even aan, alsof het normaal is, bij een aanmeerpaal boven op het Empire State Building in New York. Kalmpjes hangt hij boven de wolkenkrabbers: de ene joekelcultuur groet de andere. Andere foto: op volle zee hangt een enorme zeppelin stil aan een ankermastje dat op een gewoon schip staat. Grote luchtreus-zoon even op de koffie bij het zogeheten luchtschipmoederschip.

Het zou allemaal niet zoveel indruk hebben gemaakt als er onder deze mastodonten niet steeds een heel klein bakje had gehangen: de ‘gondel’, met een huiselijke snit, een kamertje van hout met ronde vormen en vriendelijke uitkijkraampjes rondom. Daardoor leek het grote gevaarte nog groter, maar tegelijk kreeg het iets aandoenlijks. Een luchtreus ter grootte van twee Utrechtse domtorens, horizontaal achter elkaar gehangen en op de wijze van Christo in doeken gewikkeld, en daar dan een charmant kraaiennestmandje onder gehangen: het lijkt op een groot moederdier met een baby tegen de buik gedrukt.

Op veel foto’s kijk je er van onderen tegenaan, met open mond en grote ogen, net als wanneer je met je moeder op je rug in het gras ligt en naar de overdrijvende wolken kijkt en daarin allerlei bekende vormen ziet. Martinus Nijhoff, ‘De wolken’, 1918: ‘De wond’ren werden woord en dreven verder’. En dan snap je ineens dat dit de droom moet zijn geweest van de joekelcultuurvolkeren: de droom een wolk te zijn. Niet een vogel, zoals de gewone vliegtuigbouwers wilden, maar een grote wolk, langzaam en statig zeilend en drijvend door de lucht. Zonder wolkdroom geen zeppelins. Maar ook: geen droom zonder ontwaken.

Op 6 mei 1937 kwam de Hindenburg na zijn oceaanvlucht aan in New York. Vlak voor het moment van aanleggen, vloog hij in brand. In 34 seconden was er niets meer over van de grootste zeppelin uit de geschiedenis. Het was een shock voor de luchtscheepvaart, met grote ogen en open mond gadegeslagen. Wolken bleken te kunnen vallen. En wolken bleken te kunnen branden. In één keer was het over met de joekelcultuur.

Marc Voskuijl: Leve de zeppelin! Een lofzang op luchtschepen. Scriptum,176 blz. € 29,90