En de winnaar van de Publieksprijs is...

Joris Luyendijk: Het zijn net mensen. Beelden uit het Midden-Oosten. Podium, 220 blz. € 18,–

Het verhaal wordt zowel over het Egyptische staatshoofd Mubarak als over Assad in Syrië verteld. De uitslag van de laatste presidentsverkiezingen is binnengekomen. Een medewerker: ‘Excellentie, op 250 mensen na heeft iedereen op u gestemd. Wat wilt u nog meer?’ De president: ‘Hun namen.’ Dit is maar een van de vele Arabische politieke moppen en anekdoten in Het zijn net mensen, het boek waarmee ex-Midden-Oosten-correspondent Joris Luyendijk dit jaar de NS Publieksprijs won. De grappen geven meteen een idee van Arabische politiek en van de problemen waarop de journalistieke berichtgeving over het Midden-Oosten stuit.

Luyendijks hoofdthema is de verhouding tussen beeld en werkelijkheid, die in de journalistieke berichtgeving over de Arabische wereld nog schever is dan elders. Eén probleem is dat journalisten uitzonderingen voorstellen als de regel. Is een situatie, hoe ernstig ook, een alledaags gegeven, zoals de explosieve bevolkingsgroei in de Arabische wereld, de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, en de burgeroorlog in Soedan, dan is het geen nieuws. Een ander probleem is de taalbarrière: veel buitenlandse correspondenten beheersen geen Arabisch en hebben meer contact met elkaar dan met lokale politieke elites of bevolking.

De belangrijkste moeilijkheid is volgens Luyendijk echter het feit dat de meeste Arabische staten dictaturen zijn, maar in de media worden beschreven in termen van functionerende democratieën. Journalisten spreken over verkiezingen, parlementen en publieke opinie, maar veel minder over de greep die veiligheidsdiensten, corruptie en propaganda op de bevolking hebben. Dat kan ook moeilijk anders, omdat ze van diezelfde regimes afhankelijk zijn voor visa en perskaarten. Volgens Luyendijk zijn de angst en corruptie die in dictaturen overheersen de belangrijkste filters die de berichtgeving over het Midden-Oosten vervormen. Zo bleek het voor journalisten onmogelijk om door de muur van Saddams propaganda heen te breken. Even vermakelijk als pijnlijk zijn Luyendijks passages over de buitenlandse journalisten die urenlang in hun hotellobby zitten te wachten, voor ze door lokale persvoorlichters per bus naar hun – zorgvuldig van de plaatselijke bevolking afgeschermde – reisdoel worden begeleid, alsof ze een schoolreisje aan het maken zijn.

Andere filters voor de westerse media, zoals de druk van de kijkcijfers, hebben volgens Luyendijk echter niets met de dictatoriale regimes van de Arabische wereld te maken. Ook in Israël, waarover Luyendijk geruime tijd als correspondent in Oost-Jeruzalem berichtte, is censuur niet het hoofdprobleem. Anders dan zijn Arabische buurlanden, is Israël een democratie. Maar dat betekent niet noodzakelijk dat de pers het hier gemakkelijker heeft. De Israëlische regering heeft een geoliede voorlichtings- en propagandamachine, terwijl de Palestijnse voorlichters vaak zelf niet weten wat er aan de hand is. Daardoor zijn hier de media volgens Luyendijk minder een beschrijvend doorgeefluik van, maar eerder een wapen in het conflict.

In zijn kritiek op zulke vervormingen ontziet Luyendijk ook zichzelf niet. Ontwapenend beschrijft hij hoe je als journalist maar al te gauw uit onwetendheid, haast, frustratie of gemakzucht wordt meegesleept in het vervormende perscircus. Hij trekt de pessimistische conclusie dat in de huidige media-oorlog Oost en West alleen maar verder uit elkaar worden gedreven. Die constatering is niet opwekkend, maar wel belangwekkend. Wie graag wil blijven geloven dat de westerse media zonder meer vrij zijn en dat televisiebeelden gewoon de feiten weergeven, kan zijn boek maar beter niet ongelezen laten.