Een lapzwans om lief te hebben

Hij was een verwend zondagskind, een antisemiet ook, vol zelfbeklag en rancune. Toch neem je na lezing van zijn biografie J.C. Bloems tekortkomingen voor lief.

Bart Slijper: Van alle dingen los. Het leven van J.C. Bloem. De Arbeiderspers, 390 blz. € 34,95

IJver wordt niet beloond in de literatuur, in tegenstelling tot alcoholisme en zelfmedelijden. De laatste eigenschappen komen in ieder geval een stuk vaker voor, en naar aanleiding van J.C. Bloem zou je gaan denken dat het ook voor de postume roem gunstig uitpakt. Want anders dan aanzienlijk productievere en harder werkende dichters uit de eerste helft van de 20ste eeuw, zoals Marsman of Adriaan Roland Holst, wordt Bloem nog steeds veel gelezen en, vooral, veel geciteerd – hij is zelfs de meest geciteerde dichter van de 20ste eeuw. Bloems populariteit is ongetwijfeld aan zijn onopgesmukte stijl te danken, die zijn werk in tegenstelling tot dat van pompeus dichtende tijdgenoten leesbaar houdt. De illusieloosheid die uit zijn gedichten spreekt kan hier niet los van worden gezien.

Het is maar de vraag of de elitaire misantroop Bloem het feit dat hij tot de volksmond is doorgedrongen zou hebben gewaardeerd, met zijn verachting voor humanisme, democratie en de zich emanciperende massa’s. Verknocht als hij was aan de oud-Hollandse standensamenleving, waarin hij als burgemeesterzoon was opgegroeid, was het zelfstandige leven na zijn beschermde jeugd in Oudshoorn nauwelijks aan hem besteed. Alles wat met de moderniteit te maken had kon op Bloems welgemeende walging rekenen. Ironisch genoeg is juist deze aversie, voortkomend uit heimwee naar vervlogen tijden, beter tegen de tijd bestand gebleken dan de toekomstvisioenen van de dichters die toen vernieuwend heetten.

Ondanks zijn eenkennigheid, passiviteit en zelfmedelijden moet Jacques Bloem een heel sociaal mens zijn geweest. Hij had een uitgebreide vriendenkring waar zowat de hele toenmalige schrijverswereld toe behoorde. Wat niet wil zeggen dat zijn minder sociale eigenschappen daar onopgemerkt bleven. Zo schreef Adriaan Roland Holst over zijn toen 40-jarige vriend: ‘Nog nooit heb ik iemand op zijn leeftijd al zoo seniel en volslagen uitgedoofd gezien. ’t Is als je hem dagelijks meemaakt, letterlijk angstwekkend!’

In zijn biografie doet Bart Slijper een poging om het beeld van Bloem als luiaard te nuanceren: ‘Maar iemand die in zijn leven al met al twintigduizend boeken koopt en een enorme belezenheid opbouwt, is niet lui’. Maar verder lezen we hoe Bloem het op tergende wijze presteert om deadlines soms met een jaar te overschrijden, hoe hij eindeloos over zijn rechtenstudie doet, de publicatie van zijn eerste dichtbundel zonder reden jarenlang uitstelt en hoe zijn alcoholisme hem in egocentrisme doet zwelgen,

En dan zijn er Bloems klaagzangen over zijn veelal toch weinig belastende baantjes als griffier of in de administratie, die hij achteloos verslijt – ontslagen wegens gebrek aan inzet. Slijper constateert zelfs dat de bekende regels ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, / voor de rechtvaardiging van een bestaan’, die vaak als zelfkritiek begrepen zijn, eigenlijk geïnterpreteerd moeten worden als een aanklacht tegen het leven dat tekortschiet – niet de dichter.

Maar het toppunt is wel Bloems lidmaatschap van de NSB: dat was volgens Slijper door niets meer gemotiveerd dan zijn frustratie over zijn financiële positie, die hij aan de democratie, het moderne kapitalisme en de joden weet. – in ieder geval niet aan hemzelf. In Duitsland, zo wist hij, werden dichters wel eens door de regering onderhouden, in de vorm van een symbolische aanstelling. Maar: ‘Zelfs een baantje, waarvoor gewerkt moet worden, krijg ik niet. Dat gaat naar de Joden. Maar daar mag je als “intellectueel” in dit pestland niets van zeggen.’ Bij het aanhoren van zulk zelfmedelijden en rancune is het moeilijk om dit verwende zondagskind niet onuitstaanbaar te vinden.

Nu vertelt Slijper dit alles gelukkig op een uiterst plezierige manier, met tempo, humor en scherpte, dan weer ironisch, dan weer verbijsterd commentaar leverend. Op de een of andere manier slaagt hij er zelfs in om als lezer sympathie te houden voor Bloem: met al zijn hulpeloosheid is het toch wel een aandoenlijke man, blijf je denken.

Hoewel Slijper weinig psychologiseert, weet hij een gelaagde indruk van Bloems karakter achter te laten. Met de zeer behapbare omvang van zo’n 330 pagina’s is dat een prestatie van formaat. Helemaal omdat de letterkundige kant van het verhaal, zoals Bloems rol als criticus en zijn bijdrage aan de grote literaire polemieken van die tijd, ruimschoots de aandacht krijgt. Slijpers stijl is vlot en levendig. Slechts af en toe gaat hij wat te kort door de bocht, bijvoorbeeld in de behandeling van Bloems antisemitisme dat ik hem wat al te makkelijk vind afdoen als een verschijnsel dat nu eenmaal bij het toenmalige burgerlijke Nederland hoorde. Historisch onderzoek wijst inderdaad in die richting, maar Bloems aversie tegen joden was beduidend feller dan gemiddeld en zette zich bovendien na 1933 door. Ook de verklaring voor Bloems NSB-lidmaatschap werkt enigszins bagatelliserend: Slijper legt hier geen direct verband met Bloems antisemitisme en houdt het op strikt egocentrische motieven, maar meldt nog wel dat Anton Mussert in Bloems ogen te weinig ideologisch onderlegd was – aangezien die zijn held Charles Maurras niet eens kende.

Gezien de beperkte ruimte die hij zichzelf toestond heeft Slijper veel keuzes moeten maken. Die zijn veelal gelukkig geweest, want de kracht van deze biografie zit hem in de afgewogen selectie van het bronmateriaal, dat Slijper vaak voor zichzelf laat spreken. Hij stuurt de lezer zonder zelf al te veel te interpreteren. Maar de verschillende kanten van Bloems karakter, zijn sociale omgeving, zijn oeuvre, zijn positie in de Nederlandse literatuur en de brede historische context die hij zo laat zien, verraden dat de achterliggende visie genuanceerd, breed en inlevend is.

J.C. Bloem: Verzamelde gedichten. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 272 blz. € 13,95