Eén groot en mooi gekkenhuis

Na zijn bloederige boek over Napoleons tocht naar Moskou komt Adam Zamoyski nu met een dansante reconstructie van het Congres van Wenen.

Adam Zamoyski: Rites of Peace. The Fall of Napoleon & The Congress of Vienna. Harper Press, 634 blz. € 43,–

In het oosten van Polen ligt een stadje waarvan men zou zweren dat het Italiaans was. Een centraal plein omringd door huizen met arcaden, een stadhuis met een royale, dubbele, symmetrische trap. Het stadje figureert een paar keer in het nieuwe boek van de Amerikaans/Britse historicus Adam Zamoyski. Niet dat dit kleine Zamosc een rol van betekenis heeft gespeeld tijdens de Napoleontische oorlogen, maar het is het gebied waar de familie van de auteur van Rites of Peace vandaan komt. Een verlichte voorvader heeft het in de 18de eeuw vanuit het niets aangelegd volgens de plannen van een Italiaanse architect. In dit boek staat Zamosc min of meer model voor de plekken en staten die in de boeken over Napoleon en het Wener Congres altijd onderbelicht zijn gebleven.

Na de slag bij Leipzig in 1813, toen Napoleon door de geallieerden werd verslagen, maakten de vier grote naties Rusland, Oostenrijk, Pruisen en Groot-Brittannië zich op om de kaart van Europa voor eens en voor altijd grondig te herschikken. Europa moest een christelijk werelddeel blijven, beheerst door deze monarchale staten die een permanente orde en veiligheid zouden handhaven, hoezeer andere naties of potentiële naties als Polen, Nederland, Zwitserland, Baden en tientallen Duitse vorstendommetjes ook mochten tegensputteren.

Voor dat soort gesputter heeft Zamoyski een goed oog. Het is niet alleen een boek over de protagonisten van het Congres van Wenen, Tsaar Alexander, de ijdele Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Metternich, zijn Britse collega de gentleman Castlereagh, de stokdove en hardnekkige Pruis Hardenberg en niet te vergeten de geslepen Fransman Talleyrand, maar ook van een grote hoeveelheid staatslieden en gezanten uit de kleinere staten.

Dit boek is een vervolg op Zamoyski’s vorige, succesvolle werk, 1812 over Napoleons tocht naar Moskou (Boeken, 22.04.05). Maar tegen dat beeldende en bloederige boek kan Rites of Peace niet op, althans niet in het eerste gedeelte. Dat komt omdat de periode tussen Moskou en Leipzig er niet alleen een is van oorlog maar ook een van niet altijd overzichtelijke diplomatie. Zamoyski beschrijft het aanhoudende diplomatiek pokerspel van alle betrokken staten, die zich aan Napoleon committeerden of die hem juist bestreden al naar gelang de krijgskansen wisselden. Dit eerste deel is een chronologisch verhaal van het opportunisme, het wederzijdse wantrouwen en de wisselende allianties tussen de grootmachten.

Pas na Leipzig en de implosie van Napoleons keizerrijk, wanneer de overwinnaars, de Russen als eersten, Parijs binnentrekken – dan zijn we al op een derde – komt het boek tot leven. Dat danken we aan Zamoyski’s kennis van de reusachtige hoeveelheid literatuur. Vrijwel alle verslagen en memoranda zijn uitgegeven, evenals de brieven, dagboeken en memoires van de betrokken diplomaten. Dit alles complementeerde Zamoyski met nieuw opgedolven archiefmateriaal. Hij beschrijft de laatste stuiptrekkingen van Napoleons legers, de snelle beslissing van de geallieerden tot de restauratie van de Bourbons (de broer van de geguillotineerde Lodewijk XVI kwam op de troon), maar ook de sluwe berekeningen van Talleyrand die weet dat hij een hoofdrol in Frankrijk kan gaan spelen maar die tot op het laatst rekening houdt met een mogelijke terugkeer van Napoleon.

Zamoyski roept een eufoor Parijs op, waar van defaitisme geen sprake is, waar vertegenwoordigers van alle Europese staten zich verdringen en waar parades en feesten elkaar afwisselen. Metternich noemde het ‘één groot, uitgestrekt mooi gekkenhuis’. Op 30 mei 1814 werd het Verdrag van Parijs getekend. Frankrijk werd teruggedrongen tot zijn grenzen van vóór de revolutie, Pruisen kreeg gebieden aan de Rijn en Engeland bezat nu alle strategische posities in de Middellandse Zee en in Oost- en West-Indië. Napoleon kreeg een eervolle aftocht en werd verbannen naar Elba.

De besprekingen in Parijs waren nog maar kinderspel vergeleken bij die in Wenen. Iets meer dan de helft van het boek beslaat het Congres van Wenen, dat duurde van 18 september 1814 tot 9 juni 1815. Dat dit al vaker beschreven congres danste, zo blijkt uit deze studie, is een eufemisme. Heel Wenen stond een jaar lang op zijn kop door de duizenden gasten. De vorsten, de gezanten met hun familieleden, hun personeel, officieren, ambtenaren repten zich van banket naar bal, van tea party naar soirée, van parade naar vuurwerk en van de ene minnares naar de andere. De enkeling die ook aan hoge cultuur meende te moeten doen kon terecht in musea en bibliotheken en bij talloze concerten.

Zamoyski verweeft deze wervelende kant van het congres met de serieuze diplomatie. De petite histoire is mooi om te lezen, maar heeft ook een andere functie: Zamoyski weet de hoofdpersonen menselijk en soms vilein te typeren. En ook maakt hij inzichtelijk dat al dat divertissement zijn invloed kon hebben op vergaderingen, op beslissingen, op de formulering van het zoveelste voorstel om een land op te splitsen of een provincie ergens weg te snijden of toe te voegen. Een kwade dronk, een stampvoetende maîtresse kon bij het trekken van een grens, het vaststellen van de hoogte van een herstelbetaling, van beslissende invloed zijn.

Duidelijk worden in dit boek de verschillende belangen en de tactiek van lieden als Talleyrand, die zich handig had opgedrongen en die direct al doorhad dat hij tweedracht moest zaaien tussen de geallieerden. De Oostenrijkers hadden onder leiding van politiechef Hager een verfijnd spionagestelsel opgezet. In elk logement van een afgevaardigde diende wel een Oostenrijkse knecht, koetsier of dienstmeid, die brieven opende of kopieerde, klerenkasten inspecteerde, sloten vervalste, het komen en gaan van gasten noteerde en de prullenbakken met kladversies van memoranda en brieven tot zich nam. Langs de postwegen, daar waar de paarden werden verwisseld, en bij de logementen, hielden mannetjes de post in de gaten, verbraken zegels en hoorden koetsiers en passagiers uit. Al die berichten kwamen samen bij Hager en zo bij Metternich. Die draaide zich overigens nog eens lekker om toen hem per ijlbode het bericht werd gebracht van Napoleons ontsnapping van Elba.

De ‘honderd dagen van Napoleon’ (van zijn ontsnapping in maart tot zijn Waterloo in juni 1815) beslaan maar een klein deel van het boek. De congresgangers waren juist in deze maanden vertrokken. De grote mogendheden hadden hun doel bereikt. Europa was opnieuw geordend; revolutionaire vernieuwingen werden teruggedraaid, de Duitse staten waren verbonden in de Duitse Bond onder supervisie van Oostenrijk en een aantal zaken, zoals de afschaffing van de slavenhandel en de vrije vaart over de grote Europese rivieren, was geregeld. Europa kon na twintig jaar oorlog beginnen aan een restauratieve periode van enkele decennia.

Weinigen in Wenen waren tevreden over de geboekte resultaten, en ook later bleef Wenen een slechte naam houden. Het was volgens Zamoyski een conglomeraat van slechte compromissen waarbij de grootmachten territoriaal voordeel hadden behaald, ten koste van de kleine staten, waarbij werkelijk elke politieke en sociale vooruitgang die de revolutie had voortgebracht, teniet werd gedaan. Er was helemaal geen ‘honderd jaar vrede’ dankzij Wenen, zoals wel is beweerd. En de hechte overeenkomst van de grootmachten klonk wel mooi, maar hield niet lang stand. Het repressieve systeem kreeg te maken met revoluties in onder meer België, Polen, Frankrijk en Italië.

Zamoyski velt aan het eind van zijn boek een vernietigend oordeel over het Congres van Wenen met Metternich als kwade genius. Het was, schrijft Zamoyski, ‘so thoroughly out of sympathy with the zeitgeist’, dat het alle ontwikkelde mensen van Europa van zich vervreemdde.

Na Wenen had heel Europa een kater. Alle landen hadden decennia zwaar geleden onder de verwoestingen van oorlogen, de kosten van geld verslindende legers en van economische blokkades. Wenen was, aldus Zamoyski, mislukt juist doordat het restauratief was en geen enkele rekening hield met de liberale en nationalistische tendensen in Europa. Maar waarschijnlijker is dat die stemmen nog te diffuus waren en in het uitgeputte Europa nog te zwak om tot harde politiek te komen. In ieder geval ging ook voor Polen – en dat laat Zamoyski niet na te vermelden – de hoop op een autonome staat verloren.