Een gefrustreerde nationalist

„Amper tien jaar geleden was de Nederlandse identiteit een anachronisme, dat je alleen kon aantreffen in verstofte schoolboekjes [...]. Voor het overige vertegenwoordigde de Nederlandse identiteit iets waar je zo min mogelijk mee te maken wilde hebben.”

Dit schreef Willem Breedveld in Trouw van 10 oktober, en ik kan dit uit eigen ervaring beamen. Zelfs ruim veertig jaar geleden, nog vóór de revolutie van de jaren ’60, werd je al raar aangekeken wanneer je het over de nationale identiteit had. Ik deed dat in deze rubriek nogal eens, en dat bezorgde mij van een collega het etiket ‘gefrustreerde nationalist’.

Gefrustreerd misschien wel, maar nationalist? Ben je nationalist wanneer je je interesseert voor het wel en wee van de groep waar je toevallig toe behoort, in dit geval de Nederlandse natie? En wanneer je probeert uit te vinden wat haar, met al haar onderlinge verschillen, verschillend maakt van andere naties?

Maar ja, deze belangstelling voor de eigen natie was toen verdacht. Niet alleen moesten we toen allemaal Europees, dus juist niet nationaal, denken; maar ook deden de woorden natie en nationaal denken aan het nationaal-socialisme, dat we net beleefd hadden (misschien zelfs aan nazi). Ze waren taboe. Zo bleef de Duitse bezetting nawerken – tot op de dag van vandaag.

Het verschil is echter dat sinds kort de identiteit niet meer taboe is als topic van discussie. Je kunt geen krant of tijdschrift openslaan of ze hebben het erover – tot vervelens toe. Het laatste boek erover belandde deze dagen op mijn tafel: Nederland tussen nut en naastenliefde. Op zoek naar onze cultuur van Arnold Enklaar (uitg. Scriptum).

Zelfs het koninklijk huis doet eraan mee. Ja, prinses Máxima gooide olie op het vuur met haar toespraak van 24 september. Het moet nog nodig gezegd worden dat het koninklijk huis geen invloed uitoefent! Al is die invloed misschien niet altijd die welke het verwacht had.

In die toespraak zei ze dat ze ‘de’ Nederlandse identiteit niet had gevonden. Dat was misschien meer onverstandig dan onjuist. Die identiteit kun je alleen maar vinden als je haar vergelijkt met die van anderen, en wanneer je dat doet, loop je het risico – zeker als lid van het koninklijk huis – op heel wat meer tenen dan alleen Nederlandse te trappen.

Of haar toespraak intussen ook in haar geboorteland, Argentinië, stof heeft doen opwaaien, weet ik niet. Het zou kunnen, want ze zei ook dat ‘de’ Argentijn niet bestaat. Ook daarin heeft ze waarschijnlijk gelijk, maar dan rijst wel de vraag: wat maakt Argentinië dan verschillend van andere landen, te beginnen zijn buurlanden?

In Europa hebben de meeste landen nog hun eigen talen. Daardoor onderscheiden ze zich van elkaar. Maar in Latijns-Amerika? Daar spreken ze allemaal Spaans (behalve de Brazilianen). Wat onderscheidt Argentinië van zijn eveneens Spaanssprekende buurlanden, Chili, Uruguay en Paraguay?

Zelfs de Latijns-Amerikaanse solidariteit houdt niet over. In de jaren ’30 bevochten Paraguay en Bolivia elkaar over de Gran Chaco (150.000 doden). In de jaren ’40 was er oorlog tussen Peru en Ecuador. In 1969 voerden Honduras en Salvador de ‘voetbaloorlog’ tegen elkaar (20.000 doden). Maar was er dan tenminste iets van solidariteit tegen buitenstaanders te bekennen? In de Falklandoorlog (1982) hielp Chili Engeland tegen Argentinië. Mevrouw Thatcher was daar generaal Pinochet eeuwig dankbaar voor.

Er moeten dus andere verklaringen dan de taal zijn waarom die landen van elkaar verschillen, met andere woorden: ieder zijn eigen identiteit heeft. Anders zouden ze allang één zijn in plaats van oorlog tegen elkaar te voeren. Misschien kan Máxima ons dat bij gelegenheid uitleggen.

Een lezer verwijst mij naar wat meer dan honderd jaar geleden Cd. Busken Huet in zijn Het land van Rembrand (1882-1884) over de Nederlandse identiteit schreef: of liever: naar wat daarover te vinden is in de dit jaar verschenen biografie van Huet door Olf Praamstra. Dus beide boeken daarover eens nageslagen (wat niet gemakkelijk was, omdat mijn exemplaar van Het land... een andere editie is dan die waarnaar Praamstra verwijst).

Het blijkt dat Huet de taal niet als wezenlijk element van een identiteit beschouwt. Integendeel: „Nederland zou het Belgische voorbeeld moeten volgen door het Frans als ‘hoogere moedertaal’ aan te nemen. Dan zou het niet langer [...] van de beschaafde wereld als afgesneden blijven.” En toch was Huet een nationalist, zij het een gefrustreerde. Overigens heeft zijn pleidooi het niet gewonnen – zelfs niet in België.

Meer waarde hecht Huet aan de godsdienst als identiteitsbepalende factor. „In de zeventiende eeuw”, zo betoogde hij in Het land van Rembrand, „had de godsdienst in de vorming en de bloei van de natie een cruciale rol gespeeld: daarvan ging een enorme stimulans uit op de daadkracht van de bevolking.” (Hier volg ik Praamstra, omdat ik de desbetreffende passage niet in Het land... heb kunnen vinden.) Wél een direct citaat: „Het glansrijkst tijdperk der Nederlandsche geschiedenis [...] is met de wittebroodsweken der theokratie samengevallen.” Maar: „Naarmate het calvinistische hart der Nederlanders flauwer is gaan kloppen [...] is Nederland allengs een mogendheid van de tweede rang geworden.” En dit zegt een man die zelf, hoewel als Waals predikant begonnen, zijn geloof heeft afgezworen!

Maar het is waar dat de godsdienst, in zijn calvinistische gedaante, zijn stempel heeft gedrukt op de Nederlandse identiteit – en nóg drukt, als was het slechts in de schrifturen van hen die, als Jan Wolkers, Maarten ’t Hart of Jan Siebelink, er nog steeds niet los van zijn. Deze erfenis alleen al onderscheidt de Nederlandse cultuur van die van het lutherse Duitsland – om niet te spreken van die van onze zuidelijke taalgenoten.

Identiteiten zijn aan voortdurende verandering onderhevig, maar houden sporen van het verleden in zich. Zo schijnt de godsdienst on the way out, maar het is „de vraag of de secularisatie in West-Europa een permanent en onomkeerbaar proces is” (aldus Mark Lilla, auteur van The Stillborn God: Religion, Politics, and the Modern West, in een vraaggesprek met De Groene Amsterdammer van 12 oktober).