DEBAT : hoe modern is Spinoza?

Waar tot nu toe alle historici in gebreke waren gebleven en reeksen frappante onderzoeksresultaten van een hele generatie Spinoza-onderzoekers verwaarloosden, was het de reeds als historicus befaamde Jonathan Israel die het grote belang ervan inzag, zelf het speurwerk in teksten en archieven aanzienlijk opvoerde en de collectief bereikte inzichten meesterlijk presenteerde in kloeke boekdelen, die Spinoza met een overvloed van materiaal aantoonbaar verheffen tot de stichter en inspirator van de moderne tijd, waar niemand omheen kon en waar de hele 18de eeuw van profiteerde.

Men moet wel hoog te paard zitten om de auteur van de fenomenaal geleerde werken als Radical Enlightenment (2001) en Enlightenment Contested (2006) te durven aanwrijven dat hij zijn visie ‘vooral aannemelijk maakt door een imposant vertoon van belezenheid’. Profanerend acht ik ook de aantijging van recensent Michiel Leezenberg (Boeken, 10-08-07) dat in Israels schets de populatie van filosofen uit ‘good guys’ en ‘bad guys’ bestaat, alsof zijn betoog zich niet verheft boven het niveau van een predikant. Dat zijn boeken door een overdaad aan nieuwe gegevens door de echte studiosus met ingehouden adem wordt gelezen, rechtvaardigt nog niet de vergelijking met de Da Vinci Code of andere thrillers. Even ongepast is het om Israels zorgvuldig uitgewerkte lijst van criteria voor ‘radicale’ Verlichting denigrerend weg te zetten als een ‘boodschappenlijstje’.

Na de stortvloed aan tekstueel bewijsmateriaal die Israel ten tonele voert, is het zonder meer een vergrijp aan de historische werkelijkheid om te willen blijven spreken van het spinozisme als een ‘onderstroom’ van de Verlichting en deze bovendien ook nog ‘onzichtbaar’ te noemen. Ik noem als voorbeeld Pierre Bayle, die met zijn door en door spinozistische werken, waaronder vooral zijn Dictionaire historique et critique (1697), een ongelofelijk sterke en duidelijk zichtbare invloed op het hele tijdsbestek heeft uitgeoefend. Een tweede, bijna nog sprekender voorbeeld is de Rotterdammer Mandeville, die het thema van ‘private vices, public benefits’ en de ‘self-love als enige grondslag van alle gedrag’ via Bayle aan Spinoza ontleent. Israel richt, als eerste, niets minder dan een indrukwekkend monument op voor deze denker, die vertaald en alom gelezen en verguisd werd.

Bezijden de waarheid is ook Leezenbergs verwijt, dat Israel ‘Spinoza te eenzijdig voorstelt als een moderne filosoof, ten koste van zijn wortels in bijvoorbeeld Aristoteles en Mozes Maimonides’. Spinoza heeft expliciet verklaard dat voor hem ‘het gezag van Aristoteles weinig waarde (had)’ en dat hij de opvattingen van Mozes Maimonides inzake de beginselen van Schriftverklaring zonder meer als ‘schadelijk, nutteloos, en absurd’ afwees.

Spinoza zou volgens Leezenberg geen democraat zijn; zijn ideale republiek zou een gemengde staatsvorm zijn. Maar niemand was zo’n overtuigde verdediger van directe democratie als juist Spinoza, ofschoon niemand zich op dit punt ooit bij hem aansloot.

En heeft Israel Spinoza verlaten door hem als ‘atheïst’ te profileren, een predikaat dat hij niet op zichzelf van toepassing achtte? ‘Atheïsme’ betekent in dit verband slechts de afwijzing van een ‘providentiële’ God die de wereld intelligent ontwerpt en finaliseert, niet de ontkenning van de goddelijke natuur. Even misleidend is de opmerking dat Israel Spinoza teveel toetrekt naar het latere Franse materialisme, waar Spinoza zelf – tegen Descartes – het denken letterlijk vereenzelvigt met de materie.

Leezenberg heeft niet in alle opzichten ongelijk. Israels tweedeling tussen een radicale en een gematigde Verlichting is zeker aanvechtbaar en zal nog lange tijd de discussie beheersen. Zelf ben ik van mening dat hij met name de radicaliteit van zijn eigen landgenoten, Locke en Hume, vervaarlijk onderschat.

Ook kan men vraagtekens zetten bij zijn ingrepen in het moderne debat, die uitgaan van de mogelijkheid dat de radicale verlichtingsfilosofie maatschappelijk gemeengoed zou kunnen worden, terwijl Spinoza en de zijnen zich daarover geen illusies maken. Terecht wijst Leezenberg ook op het discutabele karakter van enkele van Israels uitstapjes naar de problematiek van onze tijd. Maar dat hij ‘een conventionele en ouderwetse ideeëngeschiedenis’ bedrijft en ‘vervalt in heldenverering’ is veel te grof geschut. Ik hoef mij niet meer af te vragen wie nu echt aan versimpeling doet: degene die Spinoza als een interessante ‘overgangsfiguur’ ziet – een van de velen – of degene die Spinoza’s filosofie begrijpt als een supermodern denken dat de op hem volgende eeuwen beheerst

Wim Klever is filosoof en auteur van ‘Met oude Grieken. Van den Enden en Spinoza op weg naar echte directe democratie’ (2007).

Naschrift

Michiel Leezenberg:

Opmerkelijk genoeg windt Klever zich meer op over de toon dan over de inhoud van mijn bespreking: blijkens zijn laatste zinnen deelt hij mijn kritiek op Israels oversimplificaties, anachronismen en nodeloos polemische en apologetische uithalen. Het is zonneklaar dat Spinoza een enorme historische invloed heeft gehad, maar dat was niet uitsluitend als de radicale atheïst die Israel van hem maakt. Zulke uiteenlopende figuren als Herder, Hegel, Goethe en Einstein zagen hem eerder als een pantheïst. Israels ideeëngeschiedenis doet vooral ouderwets aan doordat hij het invloedrijke – en voor hem direct relevante – theoretische werk negeert van historici als Quentin Skinner, J.G.A. Pocock, en de al genoemde Steven Shapin en Simon Schaffer.

Opmerkelijk is ook dat Klever, ondanks zijn nadruk op Spinoza’s atheïsme, mij beticht van heiligschennis en ‘profaneren.’ Vooral mijn wijzen op Spinoza’s voormoderne trekjes vat hij op als vloeken in de kerk. Maar al verwerpt Spinoza inderdaad de doctrines van Maimonides, hij neemt wel degelijk diens vraagstellingen en begrippenkaders over. Voorts benadrukte mijn stuk dat Spinoza geen liberale democraat was. Aan directe democratie is niets moderns: ook de antieke Atheners kenden die al. Tenslotte is een denker die – zoals Spinoza – vrouwen, slaven, studenten en steuntrekkers expliciet uitsluit van het politieke proces (zie Tractatus Politicus, hoofdstuk XI), helemaal niet ‘supermodern’: hij staat integendeel met beide benen in zijn eigen tijd.