De inval in Irak was toch verkeerd

Terugkijkend op haar standpunt over de inval in Irak stelt Elsbeth Etty vast dat ze deze afloop niet voorzien had. Hoe zou de oorlog zijn verlopen onder een competente president?

Niemand is méér aansprakelijk voor de walging over de oorlog in Irak dan president Bush en zijn entourage. Als de hoogste Amerikaanse commandant in Irak van 2003 tot 2004, generaal Sanchez, zegt dat daar als gevolg van incompetent en immoreel handelen een nachtmerrie zonder einde gaande is, dan doelt hij op de incompetentie en het immorele handelen van dezelfde president, opnieuw met inbegrip van diens entourage.

De oorlog in Irak is uitgedraaid op een fiasco – politiek, moreel en militair, op instabiliteit en onveiligheid, chaos, vluchtelingenstromen, burgeroorlog, demoralisatie van de Amerikaanse strijdmacht, kortom, de balans is in alle opzichten negatief. De balans is negatief – tenzij het waar zou zijn dat het enige oorlogsdoel was dat de VS de beheersing konden verwerven van de olievoorraden in Irak en dat we hier te maken hadden met een imperialistische rooftocht, een verklaring waar zelfs doorgewinterde marxisten de schouders over zouden ophalen.

Het is goed dat gerenommeerde media, zoals de New York Times, zich hebben verontschuldigd voor elementen in hun berichtgeving en dat individuele journalisten en commentatoren reflecteren op hun eerder ingenomen posities.

Als columnist heb ik tot de zomer van 2003 begrip opgebracht voor de argumenten waarmee president Bush en de Britse premier Blair de inval verdedigden. Het lukte mij niet te geloven wat daarna door Colin Powell openlijk is toegegeven: dat de casus belli, de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, op leugens berustte. Te lang ben ik ervan uitgegaan dat een democratische regering het zich niet kon veroorloven om op valse gronden een oorlog te beginnen, de bevolking voor te liegen en daarmee ook voor de toekomst haar geloofwaardigheid te verspelen.

Nu, terugblikkend op wat ik vier jaar geleden schreef, vraag ik me af hoe het gelopen zou zijn als de VS niet het ongeluk hadden gehad sinds 2000 te worden geleid door Bush en zijn clan. Als er een competente regering had gezeten, zou dan de situatie zich ook zo hebben ontwikkeld? Dat kunnen wij niet weten, al kan op zijn minst worden verondersteld dat de Amerikaanse oorlogsinspanning minder ten prooi zou zijn gevallen aan een vrijwel onbeschrijflijk cynisme. Het is te hopen dat na de periode-Bush een minder cynisch ingestelde politiek kan bijdragen aan een begin van herstel van de politieke en morele schade, een begin van stabiliteit in Irak en een herstel van de internationale coalities tegen de gevaren van het terrorisme en fundamentalisme.

Het is nu moeilijk meer voorstelbaar dat de overgrote meerderheid van de Amerikanen, inclusief de meeste Democratische politici, maar ook de meerderheid van de Europese bevolkingen, bijvoorbeeld zeventig procent van de Nederlandse bevolking van mening was dat de invasie gerechtvaardigd was met goedkeuring van de Verenigde Naties en steun van de bondgenoten van de VS. Ik heb indertijd het uitblijven van een internationaal mandaat en de eenzijdigheid van het Amerikaanse besluit betreurd, maar meende dat de invasie niettemin onvermijdelijk was. Dat laatste dacht ik al direct na 11 september min of meer objectief vast te kunnen stellen. Mijn eerste column na 11 september 2001 eindigde als volgt: „Oorlogsrazernij kan Het Kwaad niet uitbannen, maar de uitschakeling met militaire middelen van fundamentalistische regimes is nu een realistische optie.”

De oorlog die de VS vervolgens tegen de Talibaan in Afghanistan voerden, werd door de Veiligheidsraad van de VN en door de Amerikaanse bondgenoten beoordeeld als zelfverdediging. Daarover waren alle volkenrechtdeskundigen het eens. Dat lag anders toen Bush het strijdtoneel naar Irak verplaatste. In feite was dat een poging om te doen wat in 1991 werd verzuimd. Toen bestond de mogelijkheid om met steun van de Veiligheidsraad en met deelname van niet alleen de Amerikaanse vazallen in het Midden-Oosten, maar ook van de Europese bondgenoten, op volkenrechtelijk legale wijze een einde te maken aan het regime van Saddam Hussein.

Dat hadden de VS nagelaten, met cynische opoffering van de anti-Saddam-krachten in Irak, uit vrees voor een Iraans overwicht, waar Saddam het tegenwicht tegen moest blijven vormen. Dit cynisme was al geruime tijd een overheersend kenmerk van de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten. Denk aan de steun aan fundamentalistische Arabische regimes als dat in Saoedi-Arabië, denk aan de wapenleveranties aan Irak tijdens de oorlog met Iran. Denk aan de steun aan de Talibaan en de financiering en opleiding van Al-Qaeda in Afghanistan in de eindfase van de Koude Oorlog, toen de Sovjet-Unie het land binnenviel. In deze context – men kan welhaast spreken van een traditie – stond het besluit Saddam alsnog te verdrijven, aangezien hij mogelijk zijn massavernietigingswapens wel had vernietigd, maar de dreiging ermee in stand hield.

Dat was in grote lijnen de toestand toen Washington besloot zonder mandaat van de Veiligheidsraad Irak binnen te vallen, een besluit dat al geruime tijd leek vast te staan.

Het had een chirurgische ingreep kunnen worden. Mijn mening was dat, wat ook de motieven van de groep Bush waren, wij in Europa het volgende moesten bedenken: „Zonder de Verenigde Staten hebben levensgevaarlijke figuren als Saddam Hussein vrij spel. Zonder de VS is internationale actie voor democratie en mensenrechten tot mislukking gedoemd. Zonder onbekrompen steun aan de zelfverdediging waartoe Amerika na ‘11 september’ is overgegaan, hebben de VS reden zich van de internationale rechtsorde af te wenden en zich uitsluitend op de eigen militaire superioriteit te verlaten, met voorbijgaan aan de waarden en belangen van anderen.”

Dit argument woog voor mij zwaarder dan de argumenten van de tegenstanders van het Amerikaanse ingrijpen: de wapeninspecteurs van de VN wilden meer tijd voor inspecties in Irak, er bestond geen band tussen Saddam en Al-Qaeda – hoezeer de Iraakse dictator het terrorisme ook toejuichte – en de Veiligheidsraad was niet te vinden voor een nieuwe resolutie om geweld tegen Irak expliciet goed te keuren. Dit argument is in de wereld van na de Koude Oorlog tamelijk ingewikkeld: het is moeilijk in te zien dat elk veto van een van de permanente leden van de Veiligheidsraad, waarvan de samenstelling sinds 1945 formeel niet is veranderd, beslissend moet zijn voor welk volkenrechtelijk mandaat dan ook. Hierdoor kan de internationale rechtsorde tegenwoordig niet vooruit, denk aan Darfur, aan Birma, maar ook aan het negeren van de Veiligheidsraad door de NAVO in Kosovo.

Wat de NAVO betreft: haar leden waren niet gehouden aan het verlenen van steun aan de VS, wanneer het acties betrof waar zij het niet mee eens zijn of waar zij geen belang bij hebben, maar het is een zwaarwegend feit dat de VS zich na 11 september 2001 voor het eerst in de geschiedenis hebben beroepen op artikel 5 van het NAVO-verdrag (wederzijdse bijstand na een aanval op één van hen). Ik kan niet bewijzen, maar wel vermoeden dat de VS met een ruimhartige Europese solidariteit minder vatbaar zouden zijn geweest voor de tunnelvisie van Bush en invloed ten goede hadden kunnen aanwenden.

De vraag kan achteraf nooit worden beantwoord of het niet óók een self-fulfilling prophecy is geweest van de tegenstanders van een Amerikaanse ingreep die in 2003 het zwarte scenario voorzagen dat zich in de werkelijkheid ook heeft afgespeeld. Zij hebben hoe dan ook gelijk gekregen met hun bedenkingen: de Amerikanen hadden geen plan voor wat er na Saddam moest komen, ze hadden geen exitstrategie, geen antwoord op mogelijk sektarisch geweld tegen de bezettingstroepen en tegen de burgerbevolking.

Deze en soortgelijke tegenargumenten zijn juist gebleken. Ik ben nooit teruggeschrokken voor zelfkritische reflectie op eerder ingenomen standpunten en daar schrik ik nu ook niet voor terug. Wel wil ik er bij aantekenen, zonder in een apologie te vervallen, dat die standpunten nooit zijn voortgekomen uit politieke volgzaamheid of persoonlijk belang, maar uitsluitend uit betrokkenheid en morele verantwoordelijkheid die de plicht zijn van alle weldenkende wereldburgers.

Het was een fout de inval goed te keuren, al kon niet worden voorzien dat Bush c.s. bereid waren door te gaan op een uitzichtloze weg. Toch is dit geen reden om zich van de VS af te wenden in de strijd voor democratische waarden. Ik gruw van de vergelijking met de oorlog in Vietnam en van het modieuze anti-Amerikanisme. Dat biedt slechts excuses aan extremistische regimes, aan moslimfundamentalisten, aan de tegenstanders van internationale samenwerking tegen het terrorisme. Het biedt tevens excuses aan de isolationisten in de VS die alle pogingen willen blokkeren om de problemen van de internationale rechtsorde en het volkenrechtelijke kader van militaire interventies constructief te benaderen. Dit houd ik staande: neutraliteit staat gelijk aan capitulatie.

De Rode Hoed houdt op 20 oktober 13.30 een symposium over de rol van de media en de oorlog in Irak. Met onder meer Frènk van der Linden, Maarten van Rossem, Joost Oranje, Ko Colijn, Hubert Smeets, Piet Hagen, Hans Laroes, Frank van Vree, Mustafa Oukbih en Paul Brill.

Informatie en reserveren www.derodehoed.nl