De gepolijste verkrachting

Een verkrachtingsverhaal wordt gepolijst, vanaf de vaak verwarrende gebeurtenis zelf tot aan de rechtzaak.

Vera Haket onderzocht die veranderende verhalen.

Zeven jaar kostte het haar om het uit te zoeken en op te schrijven. Ze onderzocht 23 verkrachtingszaken, van aangifte tot zitting (of sepot). Maar echt verrast was de Leidse bestuurskundige Vera Haket vooral over de fase vóór de aangifte. Vlak na de vermeende verkrachting, wanneer de vrouw thuis is. Sommige vrouwen blijken er grote moeite mee te hebben te benoemen wat er gebeurd is. Vaak zijn het mensen in de omgeving van het slachtoffer die het verhaal van de vrouw in de juiste vorm helpen gieten. Zij helpen achteraf betekenis te geven aan wat er gebeurde en beïnvloeden de beslissing om aan te geven of niet. Het kan zowel de vorm van steun als druk aannemen.

Volgens Haket denken veel mensen bij verkrachting aan geweld of tenminste fysieke dwang. In werkelijkheid kan ook verbale dwang of psychologische druk juridisch genoeg zijn. Ook de bedreiging hoeft niet fysiek te zijn. Behalve het ‘seksueel binnendringen’ is al het overige uit de delictsomschrijving voor slachtoffers lastig te herkennen, te beladen met schuld en schaamte om te bespreken. Verkrachting kan ook neerkomen op ‘afgedwongen toelaten’.

Vera Haket promoveert vandaag aan de Leidse Universiteit op het criminologisch onderzoek ‘Veranderende verhalen in het strafrecht’. Ze onderzocht de manier waarop de verhalen van slachtoffers van verkrachting in het strafproces worden geconstrueerd. Soms letterlijk, door de wijze waarop de recherche verhoort en verslag legt. Soms overdrachtelijk, in de beeldvorming van dader en slachtoffer door de officier tijdens de zitting.

Hoe worden die verhalen verankerd in bewijsmiddelen? Welke aannames gelden en welke beslisregels? Welke rol spelen indrukken, emoties, vooroordelen: over de aandrang van ‘gezonde Hollandse jongens’ en het effect van een zwembad met vrouwen in badpak op Marokkanen? Het slachtofferverhaal wordt sluitend gemaakt en komt op steeds grotere afstand van de aangeefster te staan.

Is dat proces van verklaren, onderzoeken en ten laste leggen een vorm van dramatiseren, van waarheidsconstructie of van reductie? Haket kiest voor het laatste: reductie. De officier past wel een zekere dramatisering toe, meent ze, om de rechter te overtuigen. Maar ze zag vooral hoe sterk de verklaring van de aangeefster in het proces wordt gepolijst en hoeveel mensen daarop invloed hebben. De recherche ontdoet het in de eerste verhoren van aarzelingen en stiltes. Ongerijmdheden worden geloofwaardig gevonden of juist niet. Haket: „Je ziet dat iedereen in de keten steeds meer in één lijn gaat denken, op de advocaat na dan. Alternatieven of opties zijn steeds meer uitgesloten. Ook door de aangeefster.”

De rechercheurs zijn zeer invloedrijk. Ze bepalen de structuur van het verhoor, de reikwijdte van het gesprek en schrijven ook zelf het verhaal op. Daarbij worden de vragen vrijwel allemaal weggelaten. Samen met de antwoorden worden ze in elkaar geschreven. Het resultaat is een spontaan en lopend verhaal in de ik-vorm. „Maar het is dan niet duidelijk wat de aangeefster of de verdachte spontaan zelf heeft gezegd en wat niet”, merkt Haket op. Terwijl de beslissers verderop in de strafrechtketen denken van wel. Ieder woord in de verklaring wordt letterlijk aan haar of hem toegerekend en aan niemand anders. In werkelijkheid stelt de recherche soms suggestieve en gesloten vragen. Een aangifte is een vorm van ghostwriting. De verklaring van de aangeefster op papier is er minder authentiek door geworden en ook minder controleerbaar, meent Haket. Behalve uit tekst bestaat een verhaal ook uit intonatie, aarzelingen, accenten, houding. Omdat de recherche die niet registreert „raak je delen van het verhaal zelf kwijt. Uiteindelijk kan op basis van vrij kleine onderdelen van het verhaal een oordeel worden geveld over de geloofwaardigheid. En of er een bepaalde onderzoeksrichting wordt ingeslagen.”

Is het onderzoek rond en de beslissing tot vervolging genomen dan verdwijnt de aangeefster uit beeld. Soms wordt ze gevraagd nog te getuigen op de zitting, maar dat is meestal kort. Haar rol wordt gespeeld door de officier van justitie, die uit het dossier en uit telefoongesprekken met de recherche een eigen beeld heeft gevormd van dader en slachtoffer.

De verklaringen in het dossier moeten niet zo letterlijk genomen worden als nu het geval is, concludeert Haket. „Rechters en andere besluitvormers realiseren zich onvoldoende hoe zo’n verklaring tot stand komt. Ze hechten te veel waarde aan de letterlijke tekst en aan de handtekening van de aangeefster.” Een ondertekende verklaring zegt niets over een correcte weergave van het gesprek.

Ze zag ook dat het strafproces „uit het lood hangt ten nadele van de verdachte.” Die is het lijdend voorwerp van een stortvloed aan vragen die beantwoord moet worden. „Hij krijgt niet heel erg veel ruimte om z’n eigen verhaal te vertellen.” Het verhaal van de aangeefster domineert.

Er is ook goed nieuws. Haket noemt het proces op het politiebureau professioneel en integer. Beter dan ze op basis van haar eigen vooroordelen „uit iets te veel strijdbare feministische boeken” had verwacht. Van vooroordelen tijdens het verhoor is weinig te merken. Er bestaan wel standaardverwachtingen over seksueel gedrag van mannen en vrouwen, soms clichématige. Maar dat kwam nauwelijks in de verhoren tot uiting. Wel in het kantooroverleg, waar de onderzoeksrichting moest worden bepaald.