Bang voor onszelf én de wereld

Amerikaanse critici waren geschokt door de on-Amerikaanse manier waarop 9/11 in de nieuwe roman van Don DeLillo benaderd wordt.

Don DeLillo: Falling Man. Picador, 246 blz. € 20,90. De vertaling (Vallende man) door Anneke Bok en Rob van der Veer verscheen bij Anthos, €19,95

Wanneer Keith, een van de hoofdpersonen van de nieuwe roman van Don DeLillo, vlak na de aanslagen van 11 september verdwaasd en bebloed door de straten van Manhattan loopt, ziet hij een overhemd door de lucht zweven, ‘arms waving like nothing in this life.’ Dat wanhopig wapperende shirt blijkt een aankondiging: Keith bevindt zichzelf in een vrije val. Hij werkte in een advocatenkantoor in een van de torens; ternauwernood aan de dood ontsnapt, meldt hij zich gewond bij zijn ex-vrouw, zonder te weten waarom. Hij heeft een aktetas in zijn handen die niet de zijne is.

Ogenschijnlijk pikt hij in de weken daarna de draad van zijn leven weer op, hij trekt weer in bij zijn vrouw Lianne, wordt opnieuw een vader voor zijn zoontje. Maar wat hem overkomen is heeft zijn wezen op een fatale manier ondermijnd. Hij begint een korte, troostende verhouding met de vrouw van de aktetas. In zijn kantoorleven speelde hij fanatiek poker met een groepje collega’s; na de aanslagen, waarbij een aantal van die collega’s omkwam, wordt poker een claustrofobisch toevluchtsoord. Aan het eind van de roman, zijn huwelijk is nog nauwelijks intact, brengt hij steeds langere periodes aan pokertafels door in Las Vegas, zogenaamd om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar eigenlijk om er niet langer te hoeven zijn.

Die langzame vlucht in betekenisloosheid is dubbel gewaagd van DeLillo. Allereerst is het literair een opgave een hoofdpersoon te beschrijven die zichzelf eigenlijk wil opheffen, die zich tot de speelbal maakt van gevoelens waar hij zelf geen greep op heeft. Ten tweede gaat zo’n personage tegen alles in wat Amerikanen (en anderen) verwachten van kunst over de meest bepalende gebeurtenis van de 21ste eeuw. De niet aflatende oproep om kunst te maken van de aanslagen komt voort uit verlangen naar betekenis, om de gruwel en de waanzin een plaats te geven in ons bestaan, het trauma te helen – en wat DeLillo in Falling Man doet is precies het tegenovergestelde. Zijn roman gaat over het ontrafelen van levens, het verlies van houvast. Hij laat zien dat de aanslagen een evenwicht hebben verstoord dat altijd al wankel was. Daarbij doet hij ook nog eens poging om in de huid te kruipen van een van de aanslagplegers.

Dat is niet wat van een van de grootste levende Amerikaanse auteurs werd verwacht. De vaste critica van The New York Times stikte na het lezen van Falling Man dan ook bijna van verontwaardiging: de schrijver van Underworld, waarin de hele Amerikaanse 20ste eeuw literair gestalte krijgt, laat een man die de aanslagen overleeft, eindigen met een onnuttig en onheroïsch bestaan aan de speeltafels van Las Vegas! De critica toonde zich duidelijk geschokt door de passiviteit van de personages van DeLillo, de manier waarop ze zo on-Amerikaans bij de pakken gaan neerzitten.

Maar dat is juist waar het DeLillo in Falling Man (en zijn meest recente werk) om begonnen is. De aanslagen op het World Trade Center dringen in het bewustzijn van zijn personages door op een manier die veel schokkender is dan geweld en bloed en radicale haat; ze leggen de fragiliteit van onze relaties met onze omgeving bloot. De aanslagen veroorzaken een totale ontregeling; in de wereld van DeLillo geven ze geen nieuwe betekenissen (vrijheid, het kwaad, de botsing der culturen), ze nemen die juist weg: met het ineenstorten van de torens is ook de vaste grond onder de voeten van zijn personages weggevallen.

Alle mannen en vrouwen in Falling Man hebben de greep op hun leven verloren; Keith, die naarmate zijn medisch herstel vordert – hij moet eindeloos oefeningen doen om een verbrijzelde hand weer te laten functioneren – ontdekt dat hij niet meer kan aarden in zijn vroegere bestaan; Lianne, zijn vrouw, die een schrijfgroepje begeleidt van ouderen die aan beginnende Alzheimer leiden, was niet in de torens op het moment van de aanslagen, maar ze is er meer door aangeslagen dan Keith. Tevergeefs zoekt ze bescherming bij hem: ‘She wanted to be safe in the world and he did not.’ Aan het einde van de roman vecht Lianne, die volgens haar moeder Nina met de onmogelijke Keith trouwde ‘to feel dangerously alive’, tegen het verlangen om God toe te laten in haar leven, zich te laten overrompelen door haar eigen behoefte aan overgave.

Haar moeder is dan gestorven; ook háár leven is door de aanslagen ontregeld. Eindeloze discussies over de motieven van de terroristen met haar Europese minnaar Martin hebben die relatie voorgoed verzuurd. Deze Martin, een al te zakelijke kunsthandelaar die zelf een schimmig extremistisch verleden heeft, ziet een gelijkenis tussen de terroristen en zijn radicale generatie; hij beschouwt de aanslagen als een zuiver politieke daad, ingegeven door extreme idealen. De moeder van Lianne gaat daar tegenin.

De bejaarde, wereldse Nina is het meest uitgesproken karakter in Falling Man; haar relatie met Martin is het scherpst geëtst in DeLillo’s roman, misschien omdat we die vaak door de ogen van haar dochter zien. De twee hoofdpersonen, Keith en Lianne, worden vooral van binnenuit beschreven en dat maakt ze voor de lezer vaag, overgeleverd aan indrukken en emoties – precies zoals ze volgens de schrijver ook zijn. Hun levens worden niet langer door henzelf gestuurd, ze zijn zich gewaar geworden van krachten die buiten het bereik van hun bewustzijn liggen.

Vaak slaagt DeLillo erin met zijn scherpe, elliptische stijl door te dringen in de gevoelens van zijn personages die ze zelf niet eens kunnen benoemen – vaak, maar niet altijd. Op zulke momenten krijgt zijn proza iets onmachtigs en ook iets precieus. Dan schrijft hij bezwerende zinnen die veel moeten suggereren maar schrikbarend vlak blijven. Het pijnlijkst gebeurt dat in de hoofdstukken waarin de geest van de zelfmoordterrorist betreden wordt; een ambitieuze exercitie die John Updike in zijn laatste roman The Terrorist al te veel werd. DeLillo wil laten zien dat ook de terrorist zoekt naar iets waarmee hij de chaos van de wereld kan uitsluiten en overstijgen, zoals Keith zijn toevlucht zoekt in het pokerspel; maar de taal waarin hij dat doet schiet te kort, de bezwerende zinnetjes waarin zijn benarde wereld wordt opgeroepen doen krampachtig aan. Het lukt DeLillo niet tot zijn onbegrijpelijke personage door te dringen.

Maar op andere momenten lukt hem dat wel degelijk. Falling Man logenstraft de voorspelbare verwachtingen van wat een roman met 11 september 2001 zou moeten doen. DeLillo vermijdt tranentrekkend humanisme, verliest zich niet in gewilde evocaties van de onbreekbaarheid van de menselijke geest in tijden van verschrikking. Integendeel, hij laat zien hoe breekbaar die geest is, hoe gemakkelijk we alles uit onze handen laten slaan, zonder heroïsch verzet of manmoedige rebellie. Dat is de ware impact van de aanslagen, de subtiele, sluipende, nauwelijks benoembare manier waarop ze de kijk op onszelf en de wereld vernietigd hebben, alle grote woorden ten spijt. We zijn bang voor onszelf, bang voor de wereld; daarmee raakt DeLillo de kern van de tragedie.

Een man die de aanslagen overleeft, eindigt met een onnuttig bestaan in Vegas!