Balkenende hoopt op een Eurotop over niets

Europa’s regeringsleiders willen op hun top een punt zetten achter de discussie over het Hervormingsverdrag.

Meningsverschillen lijken overbrugbaar te zijn.

Als het aan minister-president Balkenende ligt gaat de top van regeringsleiders van de 27 Europese lidstaten, die vanavond in Lissabon begint, over niets. Want gaat deze wel over iets, dan zou dit betekenen dat de discussie over het Europees Hervormingsverdrag wordt heropend. En dat is nu juist wat Nederland koste wat kost wil vermijden, zo maakte de premier gisteren duidelijk tijdens een overleg in de Tweede Kamer.

In dit standpunt staat Nederland niet alleen. De meeste regeringsleiders hopen dat er tijdens de tweedaagse top in de Portugese hoofdstad eindelijk een punt gezet kan worden achter de slepende en slopende discussie over de nieuwe bestuurlijke vormgeving die de Europese politici nu al meer dan vier jaar in de greep houdt. Volgens de meeste betrokken moet dit ook kunnen. „Er zijn geen redenen of excuses om niet een akkoord te bereiken”, zei voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie gisteren in Brussel vlak voordat hij naar Lissabon vertrok.

Vanuit enkele hoofdsteden worden nog wel kanttekeningen geplaatst bij de tekstvoorstellen. Maar zoals ook afgelopen maandag tijdens een bijeenkomst van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken in Luxemburg bleek, zijn al deze meningsverschillen overbrugbaar. In dat geval kan de top van Lissabon worden bijgeschreven als weer een historische mijlpaal in de geschiedenis van de Europese eenwording. Een begrip dat behoorlijk inflatoir is geworden, zeker waar dit het Europees Verdrag betreft. De totstandkoming van het Verdrag is immers al diverse keren gevierd.

Maar, zoals Europese bestuurders soms op pijnlijke wijze moesten ervaren, telkens te vroeg. Bijvoorbeeld omdat zowel de Fransen als de Nederlanders in het voorjaar van 2005 in een referendum massaal ‘nee’ tegen de Europese Grondwet zeiden. Aangezien verdragen in de EU unanieme instemming vergen, zat vervolgens heel Europa met een probleem.

Dat probleem hebben de regeringsleiders en de Europese Commissie de afgelopen twee jaar trachten op te lossen door tijd te kopen. Er kwam een reflectieperiode, er kwamen consultatierondes en ondertussen werd vanuit Brussel de boodschap gepropageerd dat de EU er toch vooral voor de burgers was. De strategie heeft gewerkt. In het overlegcircuit werd de tekst van het oorspronkelijke verdrag zodanig door de mangel gehaald dat dit er geheel anders kwam uit te zien. Desondanks is de kern recht overeind gebleven.

Het is grotendeels beeldvorming, maar zo zeggen de voorstanders van deze aanpak, het ‘nee’ tegen de Grondwet was toch ook gebaseerd op beeldvorming. Tijdens hun laatste gezamenlijke treffen in juni van dit jaar onderhandelden de regeringsleiders tot diep in de nacht over de voorwaarden waaraan het nieuwe Verdrag, bedoeld om Europa efficiënter en doorzichtiger te laten besturen, moest voldoen. Dit ‘bindende mandaat’ is de afgelopen maanden in een juridische verdragstekst gegoten.

Zeggen de regeringsleiders hier inderdaad unaniem ‘ja’ tegen, dan zijn zij weer net zover als in juni 2004 toen zij – na alweer een nachtelijk beraad – hetzelfde zeiden tegen de Europese Grondwet. Het zijn uiteindelijk de 27 lidstaten die elk afzonderlijk moeten instemmen.

Daar ging het de vorige keer fout. De omstandigheden zijn nu anders, al was het maar aangezien in de meeste landen geen referenda zullen worden gehouden. Maar dan zijn er nog van samenstelling wisselende regeringen.

Kortom, ook al wordt er vandaag of morgen een akkoord bereikt dan is er nog altijd geen Europees Verdrag. Het zal wel dichterbij zijn gekomen.