Babels ultrakorte paukeslagen

Veel korte verhalen zijn heel lang. Het genre stelt weliswaar geen strikte volume-eisen, maar na een pagina of vijf, zes, dan moet het korte verhaal wel klaar zijn. Als het dan nog niet is afgelopen, ga ik bladeren, kijken op welke lengte ik me moet instellen. Bladeren is geen goed teken. (Natuurlijk, er zijn uitzonderingen, gelukkige uitzonderingen, verhalen die oeverloos voortdeinen zonder dat dat geeft, het verlangen naar begrenzing is opgelost, je drijft maar zo’n beetje mee zonder dat het je kan schelen waar je aanspoelt.)

Rond 1915 zwerft er een jongeman door Sint Petersburg. Er zitten verhalen in zijn hoofd maar zijn zakken zijn leeg. Niemand zit op zijn verhalen te wachten. In bittere nood bezoekt hij het redactielokaal van een bekend tijdschrift, waar hij Maxim Gorki leert kennen. Die leest zijn verhalen en belooft er een paar af te drukken. De jongeman schrijft nu met vurig enthousiasme een verhaal per dag, tot zijn mentor Gorki zegt: ‘Het is nu wel duidelijk aan het licht gekomen mijnheer, dat u eigenlijk nog nergens het naadje van de kous van weet, maar ook dat u van heel veel dingen een vermoeden hebt... Gaat u daarom liever eens een poosje onder de mensen...’

Gewapend met zijn vermoedens gaat Isaak Babel de wereld in, hij schrijft: ‘De aan mij opgedragen reis heeft zeven jaar geduurd, zeven jaren, waarin ik langs vele wegen ben gegaan en getuige ben geweest van heel wat botsingen. Toen ik mij na die zeven jaar liet demobiliseren, heb ik voor de tweede maal een poging gewaagd mijn werk in druk te laten verschijnen en toen kreeg ik een briefje van hem met de woorden: „Me dunkt, nu kun je je gang gaan...” ’

Rode Ruiterij, de verzamelde verhalen van Babels correspondentenjaren in een kozakkenregiment, verscheen in 1924. 75 jaar later kreeg ik het in handen. Ik had moeite het te lezen. Met de lengte had dat niets te maken, de verhalen waren kort genoeg. Intussen denk ik zelfs dat ze de ideale lengte hebben: soms maar één of twee pagina’s, soms vijf of zes, zelden langer. Nee, mijn weerstand had te maken met de intensiteit van zijn zinnen. Babel schrijft alleen begin- en eindzinnen, ze hebben allemaal dezelfde nadruk. Paukeslagen. Achteroverhangen gaat niet, deze schrijver zal je rechtop lezen. (‘In elke zin moet iets te doen zijn’, leerde ik ooit van een oud-journalist in een café in Gdansk; misschien dat hij het weer van Isaak Babel had.)

Na vier jaar had ik Rode Ruiterij en Verhalen uit Odessa nog altijd niet uit. Pas tijdens een treinreis door Rusland lukte het. In de trein die nergens stopte begon ik van voren af aan en las door tot het uit was. Geen weerstand meer, alleen maar afgrijzen en betovering.

Isaak Babel: Rode Ruiterij. Moussault, alleen tweedehands, € 8,–