Afdeling beenmode blijkt gedroomde locatie

In de Leidse V&D voert De Veenfabriek een toneelstuk op over de door consumptie gestuurde, Westerse samenleving. „Ik heb getwijfeld of je dat infantiele consumeren ook echt zou kunnen raken.”

Op het knalroze, kartonnen label staat onder het dikke, gretig gele ‘NU’ normaal een aanbieding van een of ander afgeprijsd product waar je prompt niet zonder kan. De komende weken staat er: De Veenfabriek op locatie, met: ‘Haar Leven Haar Doden’ in V&D. De kaartjes zijn er om het betalende publiek van de voorstelling van de Veenfabriek te onderscheiden van de argeloze V&D-bezoeker. Want de Veenfabriek speelt het stuk van de Britse toneelschrijver Martin Crimp in de Leidse vestiging van warenhuisketen V&D gedeeltelijk tijdens openingsuren.

De Leidse V&D is gevestigd in een ooit ongetwijfeld imponerend pand. Het ademt de vergane glorie van de tijd waarin het warenhuis nog toppunt van welvaart was. Toen ongebreideld kapitalisme kritiekloos werd omarmd – ja, zelfs voortaan als democratisch recht werd beschouwd. Het blijkt de gedroomde locatie voor Haar Leven Haar Doden, waarin Crimp niet alleen terugblikt op leven en zelfmoord van de bijna mythische Anne, maar tevens een niet mis te verstaan beeld schetst van de hedendaagse, door consumptie gestuurde, Westerse samenleving.

Zo is er een wrange monoloog over een kansarm meisje, dat zich door te spelen in pornofilms – zo verwoordt ze het zelf – welvaart en vrijheid verschaft. Ze vergoelijkt haar exploitatie met de constatering dat zij zich tenminste aan de kant van de productie (dus niet van de verachtelijke consumptie) bevindt. Ook is er een prachtige scène waarin de aanschaf van een gloednieuwe auto opeens de oplossing voor uiteenlopende wereldproblemen (honger, oorlog, ziekte, dood) lijkt. Een toneelstuk met deze thematiek situeren in een warenhuis lijkt misschien voor de hand liggend, maar de uitwerking verrast toch. Als de groep (er is plaats voor veertig man) in een kleine optocht van de tea room naar de afdeling beenmode schuifelt, overvalt de bezoeker dezelfde ergernis als op een doorsnee drukke zaterdagmiddag, waarop steevast moet worden gewinkeld. Onmiddellijk gevolgd door schaamte (geduld! het gaat hier om Hoge Kunst!) en twijfel: waarom doorsta je wekelijks eigenlijk al die ellende, enkel en alleen voor materiële zelfverrijking?

Regisseur Paul Koek moet erom lachen. „Ik wist niet dat dat zo zou werken. Er was wel snel de hoop. Maar ook twijfel: of je dat infantiele consumeren, want dat is waar het over gaat, ook echt zou kunnen raken.” Koek heeft het filiaal goed bestudeerd, voordat hij naar de directie stapte met het verzoek er de voorstelling te spelen. „Volgens mij heeft Crimp vergelijkbaar onderzoek gedaan.” De directie was welwillend en Koek mocht een paar vergaderingen bijwonen. „Dan leer je zo’n warenhuis op een andere manier kennen. De directie praat over de winkel als een museumdirecteur over zijn museum.”

Die ongerijmde trots weet Koek goed over te brengen op het publiek. Even zie je de schoonheid van de schappen ‘Kneipp Kadodozen’ en ‘Kids Accessoires’ – een decorontwerper had het niet beter kunnen bedenken. Als het gezelschap vervolgens de personeelsruimtes betreedt, blijkt hoezeer de winkel inderdaad niets meer is dan decor: hier is het behang gescheurd, het tapijt verkleurd en versleten. Het vernis van rijkdom en welvaart blijkt dun. De smetteloze schappen in de winkel, de luxeproducten, het glimlachende personeel – niet eerder was zo duidelijk dat ze deel uitmaken van een sprookje: koop dit product en je zult gelukkig zijn. Het is één groot toneelstuk. Een stilzwijgende afspraak tussen fabrikanten en consumenten, zoals toneel een afspraak is tussen spelers en publiek. Je moet erin geloven. Een mooiere metafoor kan de Veenfabriek zich niet wensen.

Het valt de V&D te prijzen dat ze dit stuk ongezien in huis hebben gehaald. Koek: „Maar het is natuurlijk geen kritiek op de V&D. Dat zou te smal zijn. Er zit een hele wereld achter.” Van bezoekers heeft Koek al te horen gekregen dat de combinatie van voorstelling en locatie ze aan het denken zet – over behoeftes die gecreëerd worden, over alles dat hen wordt voorgezet en dat ze kritiekloos consumeren.

Maar is het voor V&D-medewerkers niet vreemd om dat in te zien? Koek: „Ze reageren meestal laconiek. En dat kan ook eigenlijk niet anders. Het is hun wereld, hun leven. Als je daar dertig jaar lang dag in dag uit in werkt, dan móet je er wel in geloven.”

‘Haar Leven Haar Doden’ gaat morgen in première. www.veenfabriek.nl