Superkapitalisme en democratie

Met het kapitalisme gaat het te goed. Dus dat is niet goed. Het is te veel een geloof geworden. Zoals conservatisme ook te veel een ideologie is geworden in plaats van een levenshouding: een ouderwetse conservatief hechtte waarde aan de overheid als een centrum van gezag. De ouderwetse conservatief had oog voor het organische geheel, voor de onzichtbare krachten die teniet worden gedaan, wanneer het roer plotseling omgaat.

Voor de ideologische conservatief zijn overheid en ambtenarij het probleem. Het roer moet om. Hij propageert als onlosmakelijk duo de vrije markt en de democratie.

Dat begint lelijk uit de hand te lopen. Een mens voelt zich als consument of belegger oppermachtig of vrij, maar als burger machteloos. Het duo kapitalisme en democratie is, kortom, geen duo meer.

Robert B. Reich schrijft hierover in een boek dat net uit is, Supercapitalism. En als Reich schrijft moet je altijd opletten. Hij was een tijdje minister van Sociale Zaken onder president Clinton, professor aan Harvard en tegenwoordig aan de westkust, Berkeley. Vijftien jaar geleden schreef hij The Work of Nations. Daarin ontwikkelde hij de stelling dat er een goed ontwikkelde elite van beroepsbeoefenaren aan het ontstaan was, voor wie niet het eigen land, maar de wereld het werkterrein is: de bankier, de fiscalist, de architect, de biomedicus, de accountant, de bedrijfsconsultant, de mededingingsjurist enzovoort. Deze ‘strategische makelaars’ gaan in hun eigen eredivisies veel geld verdienen, ze verbinden hun lot meer aan hun beroepsomgeving dan aan hun fysieke omgeving. Ze krijgen hun eigen gated communities, privé-scholen voor hun kinderen en ze vervreemden mentaal en fysiek van hun eigen democratie. Ze kopen zich los van een krakkemikkige overheid, die aldus ook steeds krakkemikkiger wordt. Rijd de volgende zomer langs de Interstate 95 van Boston naar New York – de dollar staat laag – en zie met eigen ogen tot op welke hoogte Reich gelijk heeft gekregen. Of dichterbij huis: vanaf de City zuidwaarts tot het vroegere huis van Churchill.

Supercapitalism benadert de kwestie vanuit een andere hoek: in de wedloop om markten en klanten in de wereld heeft het bedrijfsleven zijn volle gewicht kunnen gebruiken om invloed uit te oefenen, wetgeving te veranderen, public relations te bedrijven tot aan manipulatie en soms zelfs corruptie toe. Als je kijkt naar de werkweek van het Amerikaanse Congres dan is iedereen voornamelijk druk om wedijverende belangen van uiteenlopende bedrijfssectoren te behartigen. Intussen heeft de democratie zozeer bakzeil gehaald dat bedrijven zelfs het morele gat aan het vullen zijn. Ze werpen zich op als milieuvriendelijk of als sociaal verantwoordelijk, ze doen aan liefdadigheid. Allemaal dingen waar ze niet voor geschapen zijn, aldus Reich, waar ze weinig verstand van hebben en eigenlijk ook niet toe zijn bevoegd. Bedrijven moeten gewoon zorgen dat ze de beste spullen en transacties voor hun klanten en beleggers leveren, ze hebben de autoriteit helemaal niet om de afweging tussen private winsten en publieke goederen te maken.

Voor zulke afwegingen is de democratie. De publieke zaak is er om dingen van een hogere, collectieve orde te bespreken, keuzes te maken en in regels vast te leggen. Democratieën behoren het gemeenschappelijke goed te definiëren en horen zo te handelen dat samenlevingen zowel groei als billijkheid verwezenlijken. Reich: „Op zijn best stelt een democratie burgers in staat om gezamenlijk te bespreken hoe de stukken van de koek behoren te worden verdeeld en vast te stellen welke regels voor particuliere en welke voor publieke goederen van toepassing zijn.”

Het is een beetje gemakzuchtig om mensen – ondernemers, managers – de schuld te geven dat het zo anders loopt. Reich doet dat trouwens ook niet, hooguit overdrijft hij hier en daar om zijn punt te maken. Concurrentie jaagt op, de overheid doet alsmaar stapjes opzij en de gangbare opvattingen bevestigen deze terugtocht. Bovendien, ieder mens heeft twee zielen in één borst: hij is consument en burger. Een kleine extra belasting op aandelentransacties bijvoorbeeld kost een consument geld, bovendien is het een kleine minpost op je pensioenvoorziening. Als burger kun je denken dat deze prijs de moeite waard is, want het vertraagt de omzetsnelheid in aandelen, geeft (bedrijfs)gemeenschappen wat meer tijd om na te denken, zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen. Het is maar een voorbeeld. In de maatschappelijke praktijk barst het van dit soort keuzevraagstukken.

Het liefst wil een mens allebei, als consument en als burger tevreden worden gesteld. Veel van zulke dilemma’s worden helaas weggepoetst onder dat rampzalige jargon van win-winsituaties – en in eigen land met termen als ‘de BV Nederland’.

Natuurlijk, Robert Reich schrijft voor Amerikanen en heeft de Amerikaanse werkelijkheid voor ogen. De voorbeelden die hij noemt van uit de hand gelopen inkomens- en vermogensverschillen zijn Amerikaans, de overweldiging van de democratie door het kapitalisme is Amerikaans, althans wat de voorbeelden betreft. In Europa is het beeld gevarieerder. Aan de geruststellende kant van de balans staat hier dat het nog niet zover is doorgeslagen. Aan de verontrustende kant staat dat de ontvankelijkheid groot is, de overheid van kleine natiestaten veel onmachtiger en het publiek minstens zozeer in de war: als consument tomeloos als burger verbolgen.

Aan de geruststellende kant: het onderwerp rukt op, nadert de politieke agenda en voor kiezers die het allemaal te abstract vinden, binnenkort ook in hun theater: met George Clooney als moderne advocaat-van-de-duivel in de film Michael Clayton.