Schietschijf

Mijn derde telg, een verhalenbundel met de titel Groener gras, heeft veertien dagen geleden het licht gezien. Graag zou ik in alle ernst beweren dat de ontvangst volledig aan mijn zenboeddhistische zelf voorbij gaat.

Maar dat is niet zo, dat is nooit zo, voor niemand voor zover ik weet. Wanneer je werk goed wordt gerecenseerd, ga je daar uiteraard niet beter van schrijven en aan een negatieve receptie heb je al helemaal niets.

Toch ben ik opnieuw als die jonge klokkenmaker uit Andrej Tarkovski’s Andrej Roebljov die in de laatste lange sequentie van het meesterwerk vol toewijding en passie op zoek gaat naar de juiste klei en de juiste bevelen, die op de valreep vindt, de klok bouwt, de klok omarmt, zonder opkijken.

Dan volgt het moment waarop de klok zich zelfstandig moet bewijzen, onder het in wezen ongeïnteresseerde maar belangrijke oog van een gezant van de staatsleider. Tergend langzaam wordt de creatie heen en weer getrokken. De klepel neemt de tijd, de twijfel groeit. De jonge klokkenmaker zijgt neer. Bang kijkt hij op naar zijn creatie.

En dan, zuiver, hard en onmiskenbaar: het verhoopte geluid. Helpers en medestanders glimlachen naar elkaar. De camera verlaat de aarde. Geluid en hemel worden één, de kunstenaar wordt een stip, daar beneden.

Van de tien recensies die er in de Vlaamse en Nederlandse pers over mijn nieuwe zijn verschenen, jubelen er acht. Volgens de meerderheid schreef ik mijn beste boek tot op heden. De klok heeft zijn werk gedaan. De twee minder enthousiaste reacties zijn niet eenduidig negatief. Eén ervan is afkomstig van de recensente die mij na mijn eersteling van een rugzakje en stevige stapschoenen voorzag, en met een bemoedigende tik op het achterste de wereld in stuurde.

Vreemd en jammer, maar ik zal haar desondanks altijd enigszins dankbaar blijven. De andere valse noot betreft een geïsoleerd geval van verwarde kwaadaardigheid.

Natuurlijk stel ik mij nu als levende schietschijf op en volgt er nog wat zuur op deze column. „Beledig nooit een recensent”, zo fluisteren schrijvers elkaar toe. Ik heb niet die intentie. Evenmin vind ik recensies in informatief opzicht zinloos. Die over andermans werk hebben mij meermaals tijd bespaard, soms wellicht terecht. Toch valt het niet te ontkennen dat er in kringen van schrijvers en recensenten vaak een sfeer heerst die past bij de ontspanningsruimte van de ontwenningskliniek, een sfeer van patiënten onder elkaar. Al voel ik me daar de laatste weken zowaar meervoudig begrepen.

Daar hoeft u zich natuurlijk allemaal niets van aan te trekken, liefste lezer. Voor u neem ik er graag bij dat ik in mijn favoriete Nederlandse krant zelf voor de promotie van Groener gras dien te zorgen. Acht op tien! Bijna niets dan lof! Koop!

Wat mij rest na het luiden van de klok, is de scène die Tarkovski erop laat volgen. De jonge klokkenmaker ligt uitgestrekt op de klei, in de armen van zijn troostende vriend, die hem op het hart drukt dat hij zovelen blij heeft gemaakt met zijn creatie.

De klokkenmaker huilt wild, zijn schouders schokken: hij kan het geheel nog steeds niet bevatten, het ultieme antwoord blijft uit. Hij is tot voortdurend opnieuw beginnen gedoemd.