Op konvooi

Schrijver Arnon Grunberg reist voor de tweede maal door Afghanistan met de Nederlandse troepen daar.

Deel zes in een serie.

Poentjak is een buitenpost die uitkijkt op de Baluchi-vallei. Met Afghanistan heeft de naam Poentjak niets te maken, wel met Nederlands-Indië.

’s Ochtends in alle vroegte vertrekt een konvooi richting Poentjak, om daar in de buurt een IED (Improvised Explosive Device) te zoeken.

Ik zit in een Bushmaster. Nog veiliger dan de Bushmaster is een tank, maar daarmee mocht Nederland niet naar Afghanistan, want dat zou de Afghanen aan de Russen doen denken.

Waar dit flink uit de kluiten gewassen konvooi de Afghanen aan doet denken, zal wel altijd een raadsel blijven. Auto’s en brommers moeten blijven staan tot het konvooi voorbij is. Vaak moeten automobilisten ook uitstappen. Dit alles uit angst voor de zelfmoordaanslag.

We lijken soms op een bezettingsleger maar zoals kapitein Jan die over de psychologische oorlogsvoering gaat me heeft uitgelegd: „Het handboek van de ‘counterinsurgency’ vertelt ons dat je dit soort oorlogen niet wint door de Taliban uit te schakelen, maar door de perceptie van de bevolking te veranderen.”

Nu en dan horen we een schot, maar dat heeft hier niets te betekenen.

Poentjak is een kleine buitenpost op een zandheuvel met uitzicht op de groene vallei waar Nederlandse troepen niet kunnen komen omdat het daar te gevaarlijk is.

Het konvooi trekt uit om de IED te zoeken. Vanaf de toren van Poentjak volg ik de operatie. Een militair met een kijker ziet mannen in het zwart achter een muurtje zenuwachtig heen en weer lopen met iets wat op een granaatwerper lijkt.

Vanaf Poentjak wordt een paar keer gevuurd op de mannen in het zwart.

Het lawaai van het vuren is immens en de tijd tussen het vuren en de inslag verbazingwekkend groot.

„Ik zie nu niets meer achter het muurtje bewegen”, roept de man met de verrekijker.

Het konvooi keert terug. Een IED is niet gevonden. De mannen worden beloond met koude Fanta.

Als de Fanta bijna op is, krijgen we te horen dat de Taliban tegen elkaar gezegd schijnen te hebben: „Hebben jullie gewonden? Nee wij ook niet.” Daarna schijnen ze ook te hebben geroepen: „Komen jullie bij ons rijst eten?” Wij vertrekken richting Tarin Kowt.

De sergeant bij wie ik in het voertuig zit, vraagt: „Waarom had jij je scherfvest niet aan?”

Officieel moet ik mijn scherfvest aan, maar het was me te heet.

De sergeant kijkt me schalks aan. „Boefje”, zegt hij.