Nederlandse rol bij vrede Congo

Nederland moet gezien zijn imago in de regio een voortrekkersrol op zich nemen bij het bereiken van vrede in het oosten van Congo, meent

Hans Romkema.

Een eerste stap om de voortdurende onrust in Oost-Congo te dempen is een oplossing te zoeken voor de milities van de ‘Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda’, de FDLR. De milities van de FDLR zijn zeker niet de enige groep in het Grote Merengebied van Afrika die mensenrechtenschendingen op hun geweten hebben. Het feit echter dat de wortels van deze beweging liggen in de genocide die in 1994 het leven eiste van ongeveer een miljoen Rwandese Tutsi’s en gematigde Hutu’s, rechtvaardigt dat de pogingen om deze groep te ontmantelen niet worden gestaakt.

Zowel de Congolese overheid als de vredesmissie van de Verenigde Naties in Congo (MONUC), maakt geen prioriteit van de ontwapening en repatriëring van deze Rwandese rebellen. Het pleidooi van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Karel de Gucht voor een speciale Oost-Congogezant is een welkome uitzondering.

Niettemin kan de ontwapening en repatriëring van de FDLR niet uitgesteld worden. De aanwezigheid van deze Rwandese rebellen zorgt ervoor dat de spanningen tussen de landen van de hele regio, en tussen Congo en Rwanda in het bijzonder, zullen blijven bestaan.

Daar komt bij dat de FDLR veel minder sterk is dan vaak wordt verondersteld. De FDLR heeft weliswaar nog steeds een redelijk robuust legertje, maar dat is wel flink ingekrompen van de ongeveer 20.000 in het jaar 2000 tot de huidige 7.000. Er zijn ook nog ongeveer 50.000 vluchtelingen die bij de FDLR horen.

Binnen de FDLR heerst een belangrijk conflict tussen de oude garde en de jongeren. Het gaat niet om een gewoon generatieconflict, maar over het al dan niet een rol hebben gespeeld in de Rwandese genocide. De oudere leiders zijn niet zelden in staat van beschuldiging gesteld, ofwel door de Rwandese justitie of door het VN-tribunaal dat zich bezighoudt met de vervolging van de meest notoire Rwandese genocideverdachten. Zij zullen legale problemen ondervinden wanneer ze het Congolese oerwoud verlaten. De jongeren kunnen echter gezien hun leeftijd geen rol van betekenis in de Rwandese genocide van 1994 hebben gespeeld en zijn dus min of meer vrij om te gaan en te staan waar ze willen. Een aantal jongere commandanten vertelde dat ze niet meer geloven in een militaire overwinning op het Rwandese regime en dat ze daarom nu graag hun kinderen naar een officiële school zouden sturen.

Nu is buitengewoon zware militaire en politieke druk op de FDLR nodig. Die moet zo intens zijn, dat de interne geschillen tot een uitbarsting komen. Wanneer duidelijk wordt dat de FDLR zal moeten vechten tegen een gedecideerd en goed geëquipeerd leger zullen veel militieleden en zeker ook de burgervluchtelingen eieren voor hun geld kiezen en opteren voor een terugkeer naar Rwanda.

Het is zaak dat één land of een organisatie de leiding op zich gaat nemen om de donorgemeenschap en de internationale organisaties achter een goed gecoördineerde operatie te verzamelen. Nederland zou gezien zijn imago in de regio als belangrijk donor en wegens zijn politiek-neutrale uitstraling een voortrekkersrol op zich kunnen nemen. Het kan dan bouwen aan een coalitie van landen die de FDLR-kwestie definitief op willen lossen. Dit hoeft niet veel te kosten, politiek, noch financieel – we sturen geen eigen troepen. Maar de Nederlandse diplomatie en ontwikkelingssamenwerking zouden een goed figuur kunnen slaan.

Belangrijker is dat na jaren van onbeschrijfelijk leed de bevolking van oostelijk Congo uitzicht krijgt op een leven in vrede en veiligheid.

Hans Romkema heeft een adviesbureau – Conflict & Transition Consultancies – en heeft o.a. onderzoek gedaan naar de kansen voor de ontwapening en repatriëring van buitenlandse strijdgroepen in Oost-Congo.