Kaspische politiek

Formeel geredeneerd is de topconferentie van de Kaspische Zeemogendheden gisteren in Teheran mislukt. Feitelijk is de bijeenkomst echter een nieuwe aanwijzing dat het Westerse bondgenootschap terrein verliest in dit deel van Azië.

Op papier waren Iran, Rusland, Kazachstan, Azerbeidzjan en Turkmenistan bijeen om een doorbraak te forceren in het conflict over de continentale wateren van de Kaspische Zee. De staatshoofden zijn uiteengegaan zonder een akkoord. Vanaf 1991 bestaat er onduidelijkheid over de macht in de Kaspische Zee, die sindsdien niet door twee maar door vijf staten wordt geclaimd.

Rusland leek indertijd de verliezer. Zijn kustlijn schrompelde ineen tot de moerassige Wolgadelta en de instabiele deelrepubliek Dagestan in de Kaukasus. Moskou wist die nederlaag echter te compenseren door Iran, dat eenvijfde van de continentale wateren opeist (hoewel zijn kustlijn minder is dan 20 procent van het totaal) de voet dwars te zetten bij de juridisch getinte onderhandelingen over een nieuwe eigendomskaart van de zee.

Dat is begrijpelijk. De regio rond de Kaspische Zee herbergt niet alleen grote voorraden olie en aardgas, waarvan de exacte omvang niet vaststaat, maar is nog belangrijker als doorvoergebied. De strijd in het gebied gaat zelfs meer en meer om pijpleidingen en overslaghavens.

Rusland is bang de greep op deze transportkanalen te verliezen. Met het hernieuwde zelfvertrouwen, dat het Kremlin ontleent aan zijn status als energiemacht, intervenieert Moskou nu het nog kan.

Het door het Westen gedragen sanctiebeleid tegen de nucleaire ambities van Iran is daarbij een ideaal breekijzer voor Rusland. De Franse president Nicolas Sarkozy kreeg vorige week nul op het rekest toen hij in Moskou aandrong op een nieuwe reeks maatregelen tegen het Iraanse kernprogramma. Op bezoek in Duitsland bij bondskanselier Merkel toonde president Poetin zich amper coöperatiever. Wat hem betreft krijgt Iran de tijd.

Tegelijkertijd wil Rusland zich niet met huid en haar uitleveren aan Iran. Dat verklaart de dubbelzinnige courtoisie die Rusland ten toon spreidt. Poetin zegt enerzijds dat Iran het volste recht heeft op kernenergie en dat Rusland daarbij technologisch wil helpen, maar zorgt er anderzijds voor dat het daarvoor onontbeerlijke verrijkte uranium niet door de Russische producenten wordt afgeleverd.

Omgekeerd heeft Teheran, ondanks het historische wederzijdse wantrouwen, steeds meer belang bij een verbetering van de betrekkingen met Moskou. Beide staten ruiken dat de Verenigde Staten in Centraal-Azië terrein verliezen, zowel militair als economisch.

De mededeling van de vijf presidenten in Teheran dat hun landen geen basis zullen bieden aan een ‘derde staat’ die een aanval op een van de vijf overweegt, illustreert dat. Zelfs Azerbeidzjan, dat van de vijf het meeste zaken doet met de VS, kijkt nu weer meer naar het noorden.

Ondanks de formele mislukking heeft de Kaspische topontmoeting zo een onmiskenbaar symbolisch signaal opgeleverd. En ook symboliek heeft soms politieke betekenis.