Huis Sonneveld

Rondlopen in Huis Sonneveld is rondlopen in het verleden van je ouders, maar tegelijkertijd in een milieu dat zij nooit gekend hebben. Ze zullen er hooguit glimpen van hebben opgevangen. Hoe graag zouden zij daar nu ook ronddwalen in die schitterende kamers van een welgestelde Rotterdamse industrieel, Bertus Sonneveld genaamd.

Sonneveld was een selfmade man die van jongste bediende opklom naar een directiefunctie – van 1935 tot zijn pensioen in 1950 – bij de Van Nellefabriek in koffie, thee en tabak. In 1933 liet hij door architect Leen van der Vlugt naar de modernste inzichten een stadsvilla aan de Jongkindstraat in Rotterdam ontwerpen. Het was een huis met veel staal en beton en een plat dak – een sterk pleidooi voor de zakelijkheid van het Nieuwe Bouwen.

Daar ging Sonneveld samen met zijn vrouw en zijn twee dochters Puck en Gé wonen. Het huis is inmiddels een museumwoning geworden op dezelfde plek waar het destijds gebouwd is. Het moest grondig gerenoveerd worden, verdwenen spullen werden vervangen.

Het resultaat is adembenemend. Het verleden hangt er tastbaar in de kamers, elk moment kan een dienstbode uit een kamer opdoemen met de vraag: „Had u een afspraak gemaakt?”

Ik zal niet uitweiden over de architecturale bijzonderheden, dat is al eerder gedaan. Wat mij al dwalend steeds meer bezighield was de sociale geschiedenis van Huis Sonneveld. De dienstboden en hun relatie met het gezin Sonneveld. De dienstboden hadden riante dienstbodekamers die bijna even chique waren als die van de dochters. Sonneveld vond dat iedereen onder zijn dak dezelfde woonomstandigheden moest hebben. Daarin was hij zijn tijd vooruit, zou je kunnen zeggen.

Toch kon ook hij zich niet helemaal onttrekken aan de sociale conventies van zijn tijd. Zo moest het personeel zich zoveel mogelijk ophouden in een lager deel van het huis, strikt gescheiden van de vertrekken van het gezin. Personeel, zo luidde het onuitgesproken adagium, had je nodig, maar je moest er verder geen last van hebben.

De dienstmeisjes pikten dat wel van ‘meneer’, die zij „een schat van een man” vonden, maar mevrouw Sonneveld komt er in de herinneringen slechter vanaf. Zij was net als haar man van eenvoudige komaf, maar ze liet zich veel meer voorstaan op haar status. Op een audiotape hoorde ik dienstbode (1934-1936) Jeanne Schreuder zeggen: „Ik heb er niet altijd met plezier gewerkt. Mevrouw was streng. Elke dag moesten de bad- en slaapkamers een grote beurt krijgen. Was er nog ergens een opgedroogde druppel te zien, dan werd er op een belletje gedrukt en moest de badkamer helemaal over.”

Jeanne bleek helemaal geen Jeanne te heten. Haar voornaam was Adriana, maar omdat een vriendin van ‘mevrouw’ ook zo heette, moest het ‘Jeanne’ worden. Als Jeanne en haar collega’s ’s avonds door een vrijer thuisgebracht werden, stond mevrouw Sonneveld waakzaam toe te kijken. Om tien uur moesten ze binnen zijn, en geen minuut later.

Ik besefte dat Jeanne nog altijd zwaar de pest had aan die alweer lang geleden overleden mevrouw Sonneveld. Als de tijd al wonden heelt, wil dat nog niet zeggen dat er geen littekens achterblijven. In dat prachtige Huis Sonneveld kun je die alleen hóren.