Europese rechters doen het allemaal anders

M.W. Hesselink ziet brood in een Europees Wetboek dat volgens hem `optional` zou moeten zijn (Opiniepagina, 10 oktober). Hoe heerlijk - aldus zijn bijdrage - als een Nederlands bedrijf zijn producten naar het buitenland exporterend de afnemers kan voorhouden dat de onderlinge rechtsbetrekking in het belang van die afnemer beheerst wordt door een Europees BW. Een onbegrijpelijke en irreële gedachte. Nederland kreeg, terwijl de wetstekst gelijk bleef, tussen 1970 en 1990 een volkomen nieuw verbintenissenrecht. De Hoge Raad maakte zich een geheel andere denkstijl eigen, op zoek naar recht met werfkracht. De redelijkheid en billijkheid speelden hierin een belangrijke rol. Ook verschillende ontwerpen van Europees contractenrecht verwijzen in ruime mate naar, kort gezegd, goede trouw.

Maar iedere Europese rechter heeft een andere rechtsvindingsagenda. Zo wil de Engelse rechter niet eens weten wat goede trouw in continentale zin inhoudt en zijn de Franse en Belgische rechters huiverig voor het toekennen van een rol aan de goede trouw.

De grote jurist Molengraaff hield reeds in 1919 zijn studenten voor dat een wetboek niet meer is dan een gids; je moet het raadplegen maar het recht zelf kun je er niet in vinden. Wetgeving op het terrein van het contractenrecht loont niet.