Tijdloze breekbaarheid van een humanist

Leonard Freed: Worldview.T/m 13 januari in Fotomuseum Den Haag. Info: fotomuseumdenhaag.nl Catalogus € 40,00

Leonard Freeds foto’s zijn ouderwets zwart/wit, zelden groter dan een vel notitiepapier en tamelijk eenvoudig. Het onderwerp is netjes los getild uit het decor, meestal rond het kruispunt der diagonalen. Het decor betreft steevast een contrast of een handvol tegendraadse details. Maar die eenvoud is bedrieglijk want enkel te bereiken door veel geduld en zorgvuldig kijken.

Juist dat maakt van Freeds retrospectief in het Fotomuseum Den Haag (160 foto’s) een indrukwekkende tentoonstelling. Niet ondanks maar dankzij dat gebrek aan spektakel en visuele krachtpatserij dus.

Het oeuvre van de Amerikaan, zoon van joodse immigranten uit het Russische Minsk, omspant iets meer dan een halve eeuw, van zijn eerste foto uit 1952 – een wandelaar langs de Seine, gevat tussen kale winterbomen – tot vijf foto’s van een kat kuierend over een dakrand, een reeksje dat hij in november vorig jaar vastlegde vanaf zijn sterfbed. Kort na het maken ervan overleed hij, 83 jaar oud.

Freed was een typisch naoorlogse, humanistische fotograaf. Degelijk, veelzijdig en begaan met het lot van mensen die zich, meestal tegen de stroom in, staande proberen te houden. Het is een levenshouding die ook in zijn geval gevoed werd door de herinnering aan de wereldbrand van zijn jeugdjaren.

Gebeurtenissen, ontwikkelingen, omwentelingen; telkens bracht hij ze terug tot kleine visuele verhalen op menselijke maat. En steevast bevatten ze vingerwijzingen naar context en geschiedenis.

Freed begon rond 1952 te fotograferen tijdens een rondreis door Europa. Op die reis deed hij ook Nederland aan. Hij zou er tot 1970 blijven wonen. Hier publiceerde hij zijn eerste foto (in het Algemeen Handelsblad) en zijn eerste boek (Joden van Amsterdam, uitgegeven door de Bezige Bij) en had hij zijn eerste tentoonstelling (in Rotterdam).

Nederland heeft in Freeds werk uiteraard de nodige sporen achtergelaten (stratenmakers in Amsterdam, schippers op het water, handelaren op de beurs) maar afgezien van enige lokale herkenbaarheid vallen de Hollandse foto’s eigenlijk nauwelijks op. Verbazen doet dat niet. Freed zou zijn leven lang blijven reizen: naar Engeland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Noord Afrika, het Midden Oosten, dat alles keer op keer, zoals hij ook in Amerika zelden lang thuis kon zitten. Maar overal zocht hij op de keper beschouwd naar hetzelfde: beelden die vorm konden geven aan de stugge maar breekbare volharding waarmee mensen altijd en overal proberen hun bestaan leefbaar te maken.

De expositie, tot stand gekomen in samenwerking met het Musée de l’Elysee in het Zwitserse Lausanne, toont daarvan de neerslag, gevat in een strakke chronologische presentatie. Die rangschikking werd ingegeven door Freeds overtuiging dat zich in zijn werk in de loop der jaren geen enkele ontwikkeling heeft afgetekend; een naar huidige artistieke maatstaven weinig enerverende, maar desalniettemin verdedigbare (en respectabele) opvatting. Hier en daar worden enkele thema’s uitgelicht, zoals het politiewerk in New York of de positie van zwart in blank Amerika; het zijn de onderwerpen van zijn meest bekende boeken.

Maar Freeds foto’s werken ook los van chronologie, reeks of thema. Een oude man in een ziekenhuisbed, doodsbang starend naar de apparatuur die zijn leven moet redden. Een jonge zwarte vrouw die haar kind de fles geeft, starend naar de metro die aan haar voorbijrijdt. Een zwart jongetje dat even stoer zijn onzichtbare spierballen toont. De begrafenis van 200 mijnwerkers in Charleroi, door de opengeslagen ramen vanuit een huiskamer gefotografeerd om zo terloops te wijzen op de impact van een ramp. Stuk voor stuk zijn het foto’s vol tijdloze breekbaarheid.