Mooi hoor, die vredesprijs

Milieuprofeet Al Gore heeft terecht de Nobelprijs voor de vrede gekregen.

Het is tijd dat hij daad bij woord voegt. Run Al run!

Nu Al Gore de voorverkiezingen in Noorwegen heeft gewonnen, mag je je wel afvragen waarom hij nog door de sneeuw van New Hampshire zou willen ploeteren. Maar de ongemakkelijke waarheid is dat de man die toch nog president zou kunnen worden, nooit eerder ernstiger heeft moeten nadenken over wat hij tot stand heeft gebracht dan nu. Er staat ten slotte nog een lege plek aan het einde van wat op dit moment het indrukwekkendste cv is van iedereen die naar het presidentschap streeft, of met die gedachte speelt.

Moet een man die het zo ver heeft geschopt niet eens denken over hoe hij de reis wil afronden? En is The Oval Office niet de laatste halte?

Het is ondenkbaar dat Gore op dit moment niet over deze vragen zou nadenken. Natuurlijk zegt de voormalige vicepresident: „De klimaatcrisis is geen politieke kwestie, het is een morele en spirituele opgave voor de mensheid.” Ongetwijfeld. Maar Gore kan niet doen alsof hij geen weet heeft van zijn eigen ‘politieke kwestie’. Toen hij, aan de vooravond van de bekendmaking van de Nobelprijs, in San Francisco verscheen op een fondsenwerving voor de Californische senator Boxer, deed Gore zijn best een serieuze toespraak te houden over klimaatverandering. Maar na zijn slotwoorden scandeerde het publiek meteen: „Run Al Run!” (Al, stel je kandidaat!)

Het sloot aan bij een paginagrote advertentie die de opkomende Draft Gore for President-beweging woensdag in het eerste katern van The New York Times had geplaatst. Daarin werd ronduit gesteld dat de tot dusverre bekendgemaakte kandidaten van Democratische zijde Gores „visie, aanzien in de wereld en politieke moed” missen – niet alleen met betrekking tot klimaatverandering, maar ook in zijn verzet tegen de oorlog in Irak, zijn strijd voor burgerrechten en zijn pleidooi voor een herwaardering van wetenschap en redelijkheid.

„Er is een tijd voor politici en er is een tijd voor helden. Wat Amerika en de aarde nu nodig hebben is een held”, stond er in de open brief van de ‘Draft Gore’-beweging aan de man aan wie spoedig de Nobelprijs zou worden toegekend. „Grijp alstublieft deze gelegenheid aan, anders zult u en zullen miljoenen anderen zich altijd blijven afvragen hoe het anders had kunnen lopen.”

De druk op Gore is groot. Maar de winnaar van de vredesprijs bevindt zich in een fluwelen omknelling. Gore heeft een punt bereikt waarvan de meeste politici alleen maar kunnen dromen. De hele wereld smeekt hem om niet alleen presidentskandidaat te worden, maar ook een ecologische – om niet te zeggen ideologische – verlosser. En de vraag is absoluut niet of hij een kans maakt. Zijn kansen zijn groter dan ooit.

Kan Gore hier weerstand tegen bieden? Waarschijnlijk wel. Moet hij weerstand bieden? Waarschijnlijk niet. Natuurlijk zullen er mensen zijn die zeggen dat Gore als privépersoon meer kan doen aan de klimaatverandering. Maar iemand die zo dicht bij het presidentschap is geweest als hij zal heus niet over het hoofd zien dat de machtigste functionaris van de wereld wel iets in te brengen heeft over het lot van de planeet.

De laatste persoon met een serieuze kans op het presidentschap die de Nobelprijs voor de vrede heeft gekregen was Teddy Roosevelt, die de prijs als president kreeg in 1906. (De Noren waren onder indruk omdat hij afgevaardigden van Japan en Rusland naar Portsmouth in New Hampshire had weten te krijgen om te onderhandelen over beëindiging van een smerig oorlogje dat zij hadden gevoerd.)

Roosevelt stopte in 1908 als president en kreeg daar bijna meteen spijt van. De vredesprijs woog voor de Republikeinen niet zwaar genoeg om in 1912 zijn opvolger, de ongelukkige William Howard Taft, te dumpen en Roosevelt weer te nomineren. Hij voerde dat jaar namens een derde partij de succesvolste presidentiële campagne van de twintigste eeuw.

Roosevelt is er altijd van overtuigd gebleven dat, als hij in 1912 maar door de Republikeinen was genomineerd, hij weer tot president zou zijn gekozen. En acht jaar later, toen men na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog weer meer oog kreeg voor vredesprijzen, werd hij van alle kanten aangespoord om een gooi te doen naar de Republikeinse nominatie, die hem waarschijnlijk niet alleen die nominatie maar ook het presidentschap zou hebben opgeleverd.

Veel aanmoediging had Roosevelt niet nodig. Amper zestig jaar oud – Gore wordt volgend jaar maart zestig – was hij bereid tot nóg een charge. Het hartinfarct dat Roosevelt op 6 januari 1919 velde was het enige wat hem kon genezen van zijn zucht naar het presidentschap. En er is geen reden om aan te nemen dat Al Gore, een man die voor het eerst een gooi naar het presidentschap deed in 1988, die in 1992 kandidatuur heeft overwogen, die acht jaar als invaller fungeerde, en die in 2000 nogmaals een poging deed – waarbij hij de Democratische nominatie én het hoogste aantal stemmen verwierf, maar het ambt op een technisch punt verspeelde door een beslissing met vijf tegen vier stemmen van het Opperste Gerechtshof –, minder geneigd zou zijn dan Roosevelt om nog een poging te wagen.

Een Nobelprijs voor de vrede is een prachtige onderscheiding. Maar luister even naar een man die zowel de Nobelprijs als het presidentschap had veroverd, en die de politieke arena niet kon verlaten: „Niet de criticus telt, niet de man die aanwijst waar de sterke man is gestruikeld of waar de man die daden verricht het nog beter had kunnen doen”, zei Teddy Roosevelt toen hij zich opmaakte voor nog een gooi naar het Witte Huis. „De eer gaat naar de man die werkelijk in de arena staat, wiens gezicht besmeurd is met vuil, zweet en bloed, die manmoedig strijdt, die dwaalt en telkens weer tekortschiet, want geen streven is vrij van fouten of tekortkomingen; maar die de grandioze vervoering kent, de grandioze toewijding, die zich inzet voor een waardige zaak, die in het gunstigste geval de triomf van een bijzondere prestatie beleeft, en die in het slechtste geval, als hij faalt, tenminste faalt terwijl hij het uiterste waagt, zodat hij nooit zal worden gerekend tot de kille, schuchtere zielen die nimmer zege of nederlaag hebben gekend.”

John Nichols is correspondent in Washington voor het tijdschrift The Nation. © The Nation

Op internet worden mensen opgeroepen Al Gore te steunen als potentieel presidentskandidaat. Kijk op draftgore.com