Kattenverhalen

Wie van literatuur houdt én van katten, mag zich in het oeuvre van Doris Lessing, de nieuwe Nobelprijswinnaar, haar verhalen over katten niet laten ontgaan. Ze werden in 1967 voor het eerst gebundeld onder de titel Particularly Cats. Ik las ze in de Nederlandse vertaling van Aris J. van Braam, getiteld In ’t bijzonder katten, voorzien van mooie illustraties door Maus Slangen. Dit boek is alleen antiquarisch nog verkrijgbaar. Later heeft Lessing nieuwe, aangevulde uitgaven met kattenverhalen uitgebracht.

Zelden heb ik zulke goede kattenverhalen gelezen. Zonder enige sentimentaliteit of geforceerde vertedering schrijft Lessing over het dier dat haar zo dierbaar is. Ze kan jaloersmakend veel facetten van de kat laten zien, doordat ze zo’n afwisselend leven heeft geleid.

Haar eerste katten maakte ze mee op de boerderij die ze in de jaren twintig met haar ouders in Rhodesië bewoonde. Daar begint haar boek mee, en het is meteen het indrukwekkendste, maar ook gruwelijkste deel ervan. Van compassie met katten kon in die harde wereld, waarin de boeren zich moeizaam staande hielden, geen sprake zijn. De katten moesten zelf hun kostje bij elkaar scharrelen. Werden ze ziek, dan gingen ze dood.

Er waren vooral te veel katten, omdat ze zich vermenigvuldigden als ko…, nee, als katten. „Poezen betekenden jongen, veel en vaak.” Moeder Lessing verdronk de jonge katjes, maar er was een jaar waarin ze overspannen raakte en het als regelaar op de boerderij liet afweten. Een plaag van wel honderd katten dreigde. Doris’ vader besloot ze af te schieten.

„Op een gegeven moment kwam mijn vader de kamer uit, doodsbleek, met boos opeengeklemde lippen en betraande ogen. Hij gaf over. Toen vloekte hij krachtig, ging de kamer weer in en het schieten ging door.” Alleen de lievelingskat van ma werd gespaard. „Dat mag nooit meer gebeuren”, zei haar vader toen het achter de rug was. „En ik geloof dat het ook nooit meer gebeurd is.”

Toen Doris zich na de Tweede Wereldoorlog met haar zoon in Engeland vestigde, leerde ze de stadskat kennen, vergeleken met de boerderijkat een ‘neurotisch, bangelijk, truttig’ dier. Hij irriteerde haar aanvankelijk, die kat die maar afhankelijk zat te wachten tot er iemand thuiskwam. Maar ze merkte al snel dat ook de stadskat zijn charmes heeft als je er ontvankelijk voor bent.

Ze raakte betrokken bij geboortes, ziektes en ongelukken. Toen haar kat na een val moest worden afgemaakt, wilde ze geen katten meer, maar daar kwam ze op terug.

Aan haar ervaringen in de jaren vijftig en zestig kun je merken dat de verzorging van de stadskat nog weinig ontwikkeld was. Castratie en sterilisatie waren niet gebruikelijk. „Ik wist toen nog niet wat het steriliseren van een poes inhield”, schrijft ze. Toen haar kat kattenziekte kreeg, begreep ze niet hoe ernstig dat is.

Later komen ‘de grijze’ en ‘de zwarte’ in haar leven en kan ze opgaan in het observeren van het moeizame, gedwongen samenleven van twee katten die elkaar daarvoor niet kenden. Ze beschrijft dit opnieuw franjeloos en daarom des te indringender. Ik overweeg wel eens een tweede kat te nemen, maar mede door dit boek zijn mijn aarzelingen heviger dan ooit tevoren. Want wat doe je die ander, die er het eerst was, aan?