Honger onderzoek je in de oorlog

Wat we weten over de gevolgen van honger, danken we voor een belangrijk deel aan drie onderzoeken uit de Tweede Wereldoorlog. Onderzoekers hebben er hun leven voor gegeven. Proefpersonen offerden er hun gezondheid voor op.

1 Warschau, november 1941. Joodse artsen in het getto van Warschau treffen de eerste voorbereidingen voor grootscheeps onderzoek. In de twee ziekenhuizen voor de joden, het Czyste ziekenhuis en het Berson en Bauman kinderziekenhuis, reorganiseren ze de laboratoria, waar aan alles gebrek is. Op de zwarte markt kopen ze nieuwe apparatuur.

Hun onderzoek is een verzetsdaad. Ze zijn opgeleid om mensen te genezen. Maar ze staan machteloos tegenover de ondervoeding en de ziekten. Het ontbreekt ze aan medicijnen. Ze hebben geen voedsel om de hongerenden aan te laten sterken. „Ik heb de indruk dat het menselijker zou zijn het leven van deze arme kinderen niet langer te rekken”, verzucht een bezoeker van het kinderziekenhuis.

Hun patiënten kunnen ze niet redden. Maar ze kunnen hun patiënten wel tot het onderwerp maken van onderzoek. Over de gevolgen van honger is nog weinig bekend. Waar moeten wetenschappers de proefpersonen vandaan halen die langdurig hongeren? Hoe komen ze voor autopsie aan de lijken van mensen die van honger zijn gestorven? Hoe ontlopen ze de ethische bezwaren die kleven aan onderzoek onder hongerlijders? Al die beletsels gelden niet in het getto van Warschau.

De Duitsers stelden het getto in, ruim een jaar nadat ze in september 1939 Polen binnen waren gevallen. Alle joden uit Warschau en wijde omgeving werden op elkaar gepropt, op nog geen 25 vierkante kilometer. Uiteindelijk woonden er een half miljoen mensen, gemiddeld zeven per kamer. Een muur scheidde het getto van de rest van de stad.

De Duitsers waren er van meet af aan op uit de joden uit te hongeren. „De joden zullen verdwijnen door honger en gebrek en van de joodse kwestie blijft alleen een kerkhof over”, schreef de Duitse gouverneur-generaal. Voedsel was in Polen op de bon. Duitsers hadden recht op een rantsoen van 2.613 kilocalorieën per dag, Polen op 699 kilocalorieën, joden op 184 kilocalorieën. Hoeveel de bewoners van het getto werkelijk te eten hadden, hing af van wat ze konden kopen op de zwarte markt. De rijksten haalden misschien 1.700 kilocalorieën per dag, de armsten 800 kilocalorieën. Een paar aardappelen en dunne soep. Mensen verloren 30 tot 50 procent van hun lichaamsgewicht. Midden op straat zakten ze in elkaar om nooit meer op te staan.

De joodse artsen beginnen het project in februari 1942. Ze selecteren honderdveertig patiënten wier enige klacht is dat ze niet genoeg te eten hebben. Patiënten met andere klachten die in het getto veel voorkomen, zoals tyfus en tbc, sluiten ze uit. Vrijwel alle patiënten overlijden. Lijkschouwing bevestigt de diagnose: gestorven door voedselgebrek.

„Veel van onze collega-artsen leden zelf honger”, schrijft dr. Israel Milejkowski in zijn inleiding bij het onderzoeksrapport. Milejkowski was hoofd van de gezondheidsafdeling van de jodenraad. Hij had het initiatief genomen tot het project. „Desondanks”, schrijft Milejkowski, „is niemand gestopt met werken. In alle stilte en bescheidenheid, zonder er ruchtbaarheid aan te geven, werd het werk gedaan.”

Op 6 juli 1942, tijdens een geheime conferentie, presenteren de artsen de eerste resultaten van het onderzoek. Twee weken later beginnen de Duitsers met de massadeportaties van meer dan 300.000 joden naar het vernietigingskamp Treblinka. Ook de meeste artsen worden vermoord. Zoals dr. Milejkowski. „Non omis moriar”, zijn de laatste woorden van zijn inleiding bij het onderzoeksrapport. „Ik zal niet volledig sterven.” In 1946 wordt het rapport in het Frans gepubliceerd.

2 Minnesota, november 1944. Op de universiteit van Minnesota begint een experiment om vast te stellen hoe hongerlijders in het door de oorlog geteisterde Europa na een overwinning van de geallieerden het best weer op krachten kunnen worden geholpen. Leider van het project is dr. Ancel Keys. Hij schrijft een pamflet om proefkonijnen te werven onder de 42.000 Amerikaanse dienstweigeraars. De titel luidt ‘Will You Starve That They Be Better Fed?’. Van de ruim honderd vrijwilligers die zich melden, worden er 36 uitgekozen. Allemaal mannen tussen de 20 en 33. Allemaal blank. Achttien anderen worden ingezet als personeel.

De eerste drie maanden worden ze vetgemest met 3.500 kilocalorieën per dag. Daarna moeten ze zes maanden hongeren op een dieet van 1.570 kilocalorieën per dag. Doel is om ze 24 procent te laten verliezen van hun begingewicht.

De drie maanden van het aansterken die volgen, blijken het zwaarst. Een groep vrijwilligers krijgt 3.000 kilocalorieën per dag, de andere 4.000 kilocalorieën. Het herstel verloopt aanvankelijk langzaam. De plotselinge overdaad aan voedsel veroorzaakt allerlei fysieke ongemakken. Vier maanden na het hongeren zijn alle deelnemers zwaarder dan hun begingewicht. Eén voelt zich nog altijd futloos. Eén heeft nog oedeem.

3 Nederland, september 1944. Het zuiden van Nederland is bevrijd. Om de opmars van de geallieerden te ondersteunen roept de regering in Londen op tot een spoorwegstaking. Bij wijze van represaille kondigen de Duitsers een verbod af op het transport van voedsel en kolen. Tot op dat moment overleven de Nederlanders op een dagelijks dieet van gemiddeld 1.350 kilocalorieën. Door het vervoersembargo moeten ze het opeens met veel minder stellen. Tijdens de hongerwinter sterven tussen oktober 1944 en de bevrijding in mei 1945 naar schatting 20.000 mensen van honger en kou. Al die tijd houden ziekenhuizen en autoriteiten nauwgezet hun statistieken bij. Op basis van die informatie publiceert de Nederlandse regering in 1948 een rapport over de hongerwinter, dat nog jaren door onderzoekers wordt gebruikt.

Veel van de informatie hierboven is ontleend aan het boek ‘Hunger, An Unnatural History’ van Sharman Apt Russel, uitgegeven door Basic Books.