Het leger dat blauw kleurde

Bij alchemistische pogingen om jade te maken, ontstond een unieke blauwe kleurstof.

Chinezen kleurden daarmee het terracottaleger in Xian.

. Het Chinese blauw dat het beroemde terracottaleger van de eerste keizer van China kleurde, is niet afgekeken van de Egyptenaren, maar een product van eigen Chinese makelij. Deze synthetische kleurstof is hoogstwaarschijnlijk ontstaan als bijproduct van de alchemistische speurtocht van taoïstische monniken om kunstmatig de edelsteen jade te maken. Onder de taoïsten was jade een symbool van onsterfelijkheid.

Een team van Chinese en Amerikaanse chemici en archeologen ontrafelde de herkomst van de kleurstof met behulp van geavanceerde röntgenanalyse-apparatuur. Dat wordt beschreven in het novembernummer van de Journal of Archaeological Science.

Het gaat hier niet om zomaar een kleurstof. Met het Mayablauw en het stokoude Egyptische blauw is het Chinese blauw (inclusief de variant Chinees paars) een van de drie bekende synthetische kleurstoffen van voor de negentiende eeuw. Het blauw ontstond als een bijproduct van taoïstisch glas, is de conclusie van de chemici. Daarop wijzen chemische analyses, maar ook het feit dat de kleurstof alleen voorkomt in de periode waarin ook dit glas gemaakt wordt: van 500 voor tot 220 na Christus.

Hoe de Chinezen er überhaupt in slaagden BaCuSi2O6-kristallen in bijna pure vorm te maken was een raadsel vanaf het moment dat de blauwe kleurstof ruim 20 jaar geleden ontdekt was bij onderzoek aan het terracottaleger. Dit bariumkopersilicaat is nooit in de vrije natuur aangetroffen.

Tot nu toe heerste de opvatting dat het Chinese blauw wel afgeleid zou zijn van het Egyptische blauw. En de chemische formule van de Egyptische kleurstof lijkt inderdaad op de Chinese: CaCuSi2O6, dus met calcium in plaats van barium. Het Egyptische blauw was al in gebruik vanaf het derde millennium voor Christus. En contact was denkbaar: vanaf 525 voor Christus maakte Egypte deel uit van het Perzische Rijk dat tot ver in Centraal Azië reikte. Maar dan ligt het niet voor de hand dat de Chinezen het calcium zouden hebben ingeruild voor barium. Veel voordelen biedt dat niet. Want het Egyptische calciumblauw kan al gemaakt worden bij temperaturen van 800 à 900 graden. Van het Chinese bariumblauw ontstaat pas vanaf 900 graden een paarsige variant en boven 1100 graden de zuivere blauwe kleur. En er is nooit Egyptisch blauw in China gevonden. Reguliere handelscontacten tussen oost en west via de Zijderoute begonnen pas in de tweede eeuw na Chr. terwijl de oudste voorbeelden van Chinees blauw al rond 500 voor Chr. bestonden.

Nee, de kenmerkende aanwezigheid van barium en lood dat chemici in het Chinese blauw ontdekten, leidt naar een heel ander spoor. Want het vroege Chinese glas (vanaf 500 voor Christus) bevat wél veel lood en barium. Het lood werd bij het glas maken gebruikt, als verlager van de smelttemperatuur. En het barium werd erbij gemengd om een jade-achtig effect te krijgen. Want veel van dat glas werd gemaakt door taoïstische monniken die als ware alchemisten probeerden om kunstmatig jade te maken. Jade werd gezien als een magisch materiaal dat het geheim van het eeuwige leven in zich droeg.

Lood, barium – alleen koper is nog nodig voor het het Chinese blauw. Maar dát werd ook vaak toegevoegd aan het glas, om weer een ander jadeachtig effect in het glas op te roepen, zo was al langer bekend. Zo kan bij de glasbereiding gemakkelijk bij toeval Chinees blauw worden ontdekt, aldus de chemici en archeologen. Het is de meest waarschijnlijke herkomst.

Het Taoïsme is millennia onderdeel gebleven van de Chinese cultuur, maar het jade-achtige bariumglas en Chinees blauw beleefden tegelijk hun hoogtepunt en ze verdwenen ook ongeveer tegelijkertijd weer uit Chinese cultuur: tussen 500 voor en 200 na Christus – een laatste aanwijzing voor het nauwe verband tussen de twee. De magie van jade werd dof, en het blauw verdween. Pas nu is het verband weer gelegd.