Hemingway

„Tijdens feestjes pakte hij wielerkrant La Pédale of sportkrant L’Auto en begon er demonstratief in te lezen wanneer James Joyce of Gertrude Stein over kunst of politiek begonnen. Volgens collega- auteur John Dos Passos probeerde Hemingway zijn literaire vrienden ‘met evangelische overtuigingskracht’ te bekeren tot het wielrennen en om te laten zien dat hij het fietsen net zo serieus nam als het werk van Toergenjev of Tolstoj kocht hij halverwege de jaren twintig zijn eerste wielertrui. Die had gekleurde strepen en als hij hem aantrok leek hij ‘net een deelnemer aan de Tour de France”.

Dit citaat komt uit het ravissante opstel dat Erik Brouwer schreef voor wielertijdschrift De Muur dat als titel draagt „Ernest Hemingway was een coureur”. Alleen al hiervoor zou je De Muur nummer 18 aanschaffen. (Voor wie het nog niet in huis heeft: er staan nog veel meer lezenswaardige artikelen in die kunnen bijdragen aan een beter begrip van de wielrenner en zijn wonderlijke wegen naar de hemel dan wel hel.)

Ik zal niet te veel verklappen.

Erik Brouwer dook in Boston in het grote Hemingway-archief en trof achter de excessief zuipende, gokkende, en vrouwenverterende Nobelprijswinnaar Literatuur van 1954 die oorlog als „de grootste buitensport ter wereld” beschouwde - als gewapende oorlogsverslaggever had hij tijdens de Tweede Grote Weltkrieg naar eigen zeggen heel wat Duitsers „afgeknald” - een man aan die obsessief verslingerd was aan het wielrennen op zowel piste als weg, kortom aan de ontoegankelijke sekte die wielersport heette.

„Ik moet schrijven over die vreemde wereld van de zesdaagsen en de wonderen van de wegwedstrijden in de bergen”. Hemingway neemt zich voor ooit het definitieve wielerverhaal te schrijven. Het zal hem niet lukken.

In het postuum verschenen A Moveable Feast, 1964, vertelt hij waarom niet: „Ik ben aan veel verhalen over wielerwedstrijden begonnen, maar ik heb er nooit een geschreven dat zo goed is als de wedstrijd zelf”.

Dit is een zin naar mijn hart.

Ergens, eind jaren zeventig van de vorige eeuw, schreef ik als amateurdichter, amateur-adolescent en amateurwielrenner een 7-regelig gedichtje zijnde de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie rondom een 6- daagse amateur- wielerwedstrijd in het gebergte ten noorden van Bergamo. Dat ik daar bezeten raakte van een zekere Lisa die de Vespa kon besturen als een feniks, speelt zeker een rol in de lagere tonen van het geschriftje. Zo gaan de laatste twee zinnetjes: De berg is moe/ Hij hijgt.

Het was de tijd dat ik niet wilde leven tenzij groots en meeslepend. Duitsers om op te schieten waren er niet meer, dus aasde ik op een plaats in een professionele wielerstal. Kort hierop was het zover. Nu deed zich een merkwaardig verschijnsel voor. Aan de continue woordenstroom- ik hoefde maar te gaan zitten of ik begon poëzie te poepen- kwam abrupt een einde. Het verontrustte me zeer, en ik weet het aan de hardheid van het métier. Later besefte ik dat woorden er niet meer toe deden. Ik was immers geworden waar ik zo naar verlangd had: „Het houtblok in zijn eigen vuur”.