Graag wat minder zoetsappigheid

Oude tuttige, brave prietpraat vult de eerste helft van Komrij’s selectie.

Pas uit de laatste halve eeuw stamt poëzie vol humor en eigenzinnigheid.

Gerrit Komrij: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Prometheus, 1040 blz. € 19,95

Je slaat het baksteendikke boek maar eens open en dan lees je van het wiegje: ‘Geen huisje / zonder kruisje, / dat is het oude lied. / Mijn wiegje, / buiten ’t vliegje, / kende echter geen verdriet’. Hoe mooi: een jeugd zonder zorgen. Een vliegje kan erg hinderlijk zijn natuurlijk, maar het kan erger. Dat lijkt ook de dichter, Prudens van Duyse, te vinden. Hoe zou het de baby zijn vergaan? De dichter laat ons niet langer in spanning zitten: ‘Ter wachte, / dag en nachte, / zat mijn moeder daar. / Ze omermde, / en beschermde / mij, tegen elk gevaar’.

Je kijkt er met open mond naar, naar zoveel zoetsappigheid bij elkaar. Zie ik iets over het hoofd? Is het vliegje geen zoemvliegje, maar een eufemisme voor een of andere ziekte, misschien wel vliegende tering? Is het misschien spottend bedoeld? Waarom zou Komrij dit inwisselbare rijmpje hebben opgenomen in De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten? Is er iets oorspronkelijks in te vinden? Nee, Komrij nam het op om een beeld te geven van het kindergedicht in de loop der tijden. Ik denk niet dat hij het werkelijk goed vindt. Hooguit speelt er historische vertedering mee, of plezier in ouderwetse taal, met een zweem van camp.

Ik doe nog een greep en kom bij een vers van ene Elly Reitsma. Jaartallen onbekend. Ze zal rond 1900 geboren zijn. Komrij koos van haar één gedicht: ‘Bloemetjes gieten’. Het vertelt van een meisje, Lijsje, dat ’s avonds haar gietertje haalt om daarmee haar bloempjes te begieten. En als ze klaar is, maakt ze een boeketje. Slotregels: ‘Straks zet zij een bont vaasje neer / in ’t huis van haar Mamaatje’. Dat is mooi van Lijsje, maar moeten wij dit poezelige versje lezen? Alleen met veel moeite kan ik bedenken dat hier een historisch motief meespeelt. Het gaat niet meer om levenslessen, maar om het kind zelf. Het spelen was al een thema in het kindergedicht. Hier zien wij de intrede van het thema van de leerzame hobby.

Nog eens enkele honderden bladzijden verder, weer een spelend kind. Dit keer is het een jongen, die vertelt over hoe hij vroeger buiten speelde: ‘Toen ik nog een jongen was, / zat ik heel vaak in het gras, / en ik speelde in de zon / met mijn vierkante ballon’. Het klinkt heel naturel, maar bij het voorlaatste woord spitsen we de oren. Hoe gaat dat verder, met die vierkante ballon? ‘’s Avonds hadden we ontbijt.’ Dan wordt het al bijna een portret van de omgekeerde wereld. Kijk maar: ‘O, wat leuk was het altijd / als mijn vierkant bordje kwam / met mijn ronde boterham’. Gaat nu alles op zijn kop gezet worden? Rustig en nuchter vertelt de jongen verder: ‘Toen ik nog een jongen was, / had ik appels in mijn tas’. Gezond. Deze jongen komt er wel. Maar dan zijn slotregels: ‘Appels smaken juist zo fijn / omdat appels vierkant zijn’. En dan weten we toch niet meer zo zeker of deze jongeman wel zo verstandig is, of vooral een beetje mal. Het is, in vergelijking met het bloemengietertjesgedicht weer een stap verder. Hier is het kind zelf aan het woord.

Weet u wie de dichter van ‘Rond of vierkant’ is? Willem Wilmink. Van hem zijn ook een parodie op een 19de-eeuws moralistisch kindergedicht, een parodie op een ouderwets kerstliedje en een variant op het middeleeuwse luilekkerlandlied opgenomen. Daaruit blijkt dat de kinderpoëzie volwassen literatuur is geworden: ze kan naar zichzelf verwijzen.

Hoe verder je vordert in deze bloemlezing, hoe meer vooruitgang je ziet – maar tegelijk ook meer teruggang. Ik zie een simpel vers van Ann Harris over een grote koe, en van Gitte Spee over een kleine aap. Het zou je tot het bevrijdende inzicht kunnen brengen dat er ook in de kinderpoëzie geen echte vooruitgang zit. Maar daar staan, vooral in de laatste halve eeuw, allerlei gevoelige verzen tegenover die van veel meer inzicht in de kindergeest, humor, taalgevoel en eigenzinnigheid getuigen dan alle stijve voorgestanste voor-20ste-eeuwse verzen. Het beste voorbeeld daarvan is Hieronijmus van Alphen (1746-1803). Hij krijgt het maximum van tien gedichten – maar vast niet op inhoudelijke gronden. Ze zijn alle tien even ouwelijk, belegen en saai.

Hier heeft Komrij, zoals op wel meer plaatsen, een inventarisatie willen geven, en niet zijn eigen kritische smaak gevolgd. Dat maakt deze bloemlezing anders dan zijn andere bloemlezingen. Er staat niet zo veel op het spel, er wordt niet met een strakke dichterlijke opvatting gelezen. Erg is dat niet, behalve dan dat het boek nu ongeveer twee keer te dik is. Ook in gehalveerde vorm had dit baksteenboek duidelijk kunnen maken dat de grens tussen zogenaamde kinderpoëzie en zogenaamde grotemensenpoëzie niet goed te trekken is. En misschien zou je dus moeten zeggen dat de bloemlezing zichzelf meteen weer kan opheffen – want alle goede kinderpoëzie is ook meteen goede grotemensenpoëzie.

Gerrit Komrij: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Prometheus, 1040 blz. € 19,95

Rectificatie / Gerectificeerd

Fotobijschrijft

Bij de foto die hoorde bij het artikel Graag wat minder zoetsappigheid (16 oktober, pagina 28 en 29) stond een verkeerd bijschrift. Het had moeten zijn: Foto Spaarnestad Photo.