Eerherstel voor naoorlogse kolossen

De wederopbouw geldt als een periode van functionele, maar lelijke architectuur.

Ten onrechte, vindt de overheid.

Bakbeesten zijn het. Maar wel onze bakbeesten.

Dat is het gevoel in Rotterdam, de stad die vanaf vandaag twintig rijksmonumenten rijker is. „Rotterdam voelt zich vaak vergeten en dit lijkt op het eerste gezicht een soort inhaalslag, maar dat is het beslist niet”, zegt architectuurhistoricus Wijnand Galema.

Nederland heeft er sinds vandaag 101 rijksmonumenten bij. Ze dateren uit de wederopbouwperiode (1940-1958). In de gisteren verschenen lijst van rijksmonumenten is Rotterdam met twintig rijksmonumenten het best vertegenwoordigd. Uitverkoren zijn onder meer het Groothandelsgebouw (Van Tijen en Maaskant, 1953) dat naast het Centraal Station ligt, de Lijnbaanhoven (Bakema en Maaskant, 1949-1953) en het beeld De Verwoeste Stad (1953) van kunstenaar Osip Zadkine.

De lijst naoorlogse topmonumenten is opgesteld door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Daarbij is rekening gehouden met verscheidenheid aan gebouwen, regio’s en stromingen als modernisme en traditionalisme. Buiten Rotterdam zijn onder meer aangewezen het hoofdkantoor van Hoogovens (Dudok, 1949) in IJmuiden, de vuurtoren (Friedhoff, 1950) van Ouddorp, de Ja-knikker (NAM) in Schoonebeek en het Nationaal Monument (Oud en Raedecker, 1956) op de Dam in Amsterdam.

In opdracht van de gemeente Rotterdam werkte architectuurhistoricus Wijnand Galema de afgelopen jaren mee aan een inventarisatielijst met waardevolle gebouwen en objecten. Alle door Plasterk benoemde monumenten komen eveneens voor op de gemeentelijke lijst met gebouwen. Een aantal vooroorlogse gebouwen, zoals de Van Nelle-fabriek (Brinkman en Van der Vlugt, 1929) in Rotterdam-West, staat al jaren geregistreerd als rijksmonument. „Dit is een logische aanvulling van het potentieel waar de stad, dankzij het bombardement, in ruime mate over beschikt.”

Vlak na het Duitse bombardement, op 14 mei 1940, werd op voorspraak van invloedrijke havenbaronnen en industriëlen besloten dat het nieuw te verrijzen Rotterdam geen reconstructie van de vooroorlogse stad zou worden, maar een moderne, nieuwe stad naar Amerikaans voorbeeld. Hoogbouw moest de tweede stad van Nederland internationale allure geven. Zo ontstond een stad, die zichzelf vandaag de dag graag profileert als ‘Manhattan aan de Maas’.

Lange tijd gold die Rotterdamse erfenis als ‘lelijk’ en ‘onaantrekkelijk’. Die kwalificaties voedden het minderwaardigheidscomplex van de stad die, in de slagschaduw van het ‘historische’ Amsterdam, leed aan het second city syndrome. Tien jaar geleden kwam de omslag, constateert architect Rob Ligtvoet van Kraaijvanger & Urbis. Zijn architectenbureau ontwierp onder meer het postkantoor, pal naast het Centraal Station, en de incassobank aan de Blaak, waar nu de Kamer van Koophandel is gevestigd. „Bouwen en slopen, dat zit in de genen van deze stad”, zegt Ligtvoet. „Ik zie die lijst van Plasterk vooral als een bevestiging van hetgeen we hier in Rotterdam al wisten.”

Aanleiding voor de cultuuromslag was, aldus Ligtvoet, het besef dat de wederopbouw „de unieke cultuurhistorische waarde” van Rotterdam blootlegt, en daarmee ook die van Nederland. „Die aanname is jarenlang ontkend. Alles wat aan de oorlog refereerde werd het liefst doodgezwegen.”

Bekijk de hele monumentenlijst en foto’s op nrc.nl/binnenland