De (on)zin van taakstraf

Alleen een taakstraf voor aanranding klinkt zelfs de meest ruimdenkende burger vreemd in de oren. Bij een ernstig misdrijf hoort de overheid te reageren met vergelding. Een werkstraf kan daarvan deel uitmaken, maar toch niet als enige sanctie? Waar is de boete, de dreiging met voorwaardelijke celstraf of desnoods de therapie? Justitie mag dan blind zijn, doofheid is niet de bedoeling.

De ophef die het televisieprogramma Zembla dit weekeinde veroorzaakte over het veronderstelde milde strafklimaat werd gesteund door cijfers die het Openbaar Ministerie verschafte. De trend van de cijfers en de teneur in het publieke debat: het loopt met de taakstraffen uit de hand.

De politieke ophef was voorspelbaar en overigens ook begrijpelijk. Tegelijk wordt het debat gevoerd op drijfzand. Achter de cijfers gaat waarschijnlijk een veel genuanceerder beeld schuil. De relatief lichte sancties voor schijnbaar ernstige vergrijpen kunnen vermoedelijk worden verklaard. Bij de 43.000 werkstraffen die in 2006 werden opgelegd, blijken ook alle minderjarige daders te zijn meegeteld. Dus ook de 16-jarige jongen die een klasgenote ongewenst betast en daarop wegens aanranding wordt veroordeeld. Bijvoorbeeld met een taakstraf en deelname aan een cursus.

Voordat haastige conclusies worden getrokken over rechterlijke laksheid moet beter worden uitgezocht wanneer rechters nu menen met een taakstraf te kunnen volstaan. Dan zal blijken dat de dader, die volgens Zembla negentien taakstraffen ‘achter elkaar’ kreeg, die straffen in werkelijkheid op één dag kreeg. En wel omdat het bijvoorbeeld een ex-drugsverslaafde zwartrijder geweest kon zijn die schoon schip mocht maken. Of omdat hij de rechter van z’n vorderingen op het rechte pad kon overtuigen. Taakstraf kan immers bijdragen aan rehabilitatie en celstraf aan terugval. Rechters hebben de vrijheid nodig om op maat sancties te kunnen toepassen: deels vergelding, deels compensatie, deels voorkoming. Dat het Openbaar Ministerie soms taakstraffen uitgesproken ziet worden waar het zelf celstraf wenselijk vindt, hoort erbij. De rechter is onafhankelijk. Niet alleen als instituut, maar ook als individu.

Niemand kan nog zeggen hoe groot het aandeel van minderjarigen is bij taakstraffen voor, op het oog, zware vergrijpen. Nader onderzoek is nodig. Die feiten zijn nodig om een debat te kunnen voeren over het beperken van taakstraffen.

De taakstraf mag geen uitvlucht zijn voor rechters die er hun reserves tegen celstraf mee willen uitdrukken. Maar het mag ook bij ernstiger vergrijpen wel degelijk een alternatief zijn en blijven voor celstraf. Zeker bij minderjarigen. Het is de keerzijde van de wens om meer minderjarigen onder het volwassenen strafrecht te brengen. Dat rechters in hun strafmaat rekening houden met de leeftijd van de dader en de mogelijkheid van rehabilitatie is te prijzen. Wie in de gevangenis belandt, is immers afgeschreven. Gevangenissen zijn misdaadscholen en banenmarkten voor nieuwe criminelen: een recidivecijfer van acht op de tien bewijst het.