Ze hebben me nooit wat gedaan!

In Trabzon zien de matrozen de ongesluierde vrouwen. „Ze scholen bijeen, doodsbang, huilend,/ kruisjes slaand, te midden van allemaal schreeuwende mannen. Hun grote wijde jurken waren drijfnat. Petroleum, je kon het ruiken.” De mannen jennen de vrouwen, ze zitten aan ze en ineens „zoef! brandden ze, de vrouwen, donkere lonten van oranje steekvlammen, krijsend en gillend.”

Even leek het erop dat Les Murray, de dikke Australische dichter met zijn brede zangerige poëzie, de Nobelprijs zou krijgen. Daarom haalde ik zijn grote werk Fredy Neptune uit de kast, in de mooie vertaling van Peter Bergsma, en vroeg me af of ik het ooit echt gelezen had of het alleen maar had ‘aangelezen’ zoals een vriend dat treffend noemt. Moest wel dat laatste zijn dacht ik nog vaag voordat ik pijlsnel in dit dichtwerk verdween en pas drie uur later voor het eerst boven kwam – nog niet eens op de helft.

Dit gaat niet over poëzie. Dit gaat over het leven. Eigenlijk gaat het vooral over wreedheid, over wat mensen mensen aandoen – en hoe ze daar ook nog bij lachen.

De Duitse Australiër Fredy Boetcher wordt getekend door wat hij in 1915 ziet in de Turkse havenstad Trabzon. Armeense vrouwen, levend verbrand door lachende Turkse mannen. Zijn lichaam verliest alle gevoel, alsof het er niet meer is.

Het is zeker niet de laatste verschrikking die Fredy Neptune, zoals zijn artiestennaam van sterke man op een gegeven moment luidt, moet aanzien. Overal staan mensen elkaar naar het leven, overal schieten ze elkaar dood, proberen ze elkaar zo veel mogelijk pijn te doen. „Dat zal je leren”, zeggen mensen daar graag bij. Of ze lijden door de vergissingen en slagen van het leven, zonder dat iemand ze die speciaal toedient.

Je vraagt je gemakkelijk af, als krantenlezer en journaalkijker: ben ik ook een soort Fredy Neptune? Nee, mijn huid is niet ongevoelig voor pijn of vuur, mijn spieren doen snel zeer als ik zware dingen probeer op te tillen. Maar in zekere zin?

En dan denk je ook weer: wat wou je dan, hele dagen gillend rondrennen van afschuw?

Zelfs, merk je, krijg je een beetje hekel aan die berichten over gruwelen en pijn. Liever geen verhalen meer over Irakezen die gemarteld worden of jonge Amerikaanse soldaten waar de stukken vanaf geblazen worden. Ook niet over meisjes of homoseksuelen die opgehangen worden in Iran. Liever niet weer die vermoeide en boze Palestijnse gezichten. En dan praat je alleen nog maar over gebeurtenissen en narigheid ver weg. Niet over de Nederlandse scholier die zijn medeleerling doodsteekt of over tweehonderd jongeren die de politie met stenen bekogelen in Den Haag.

Of over het spijtige verhaal van de Tsjechische ouders die na tien maanden ontdekten dat hun kind niet van hen is, maar verwisseld met een andere baby in het ziekenhuis. De vader herkende almaar niets in het kind. Maar de moeder was gewoon van het wezentje aan haar borst gaan houden. Nu wordt er gepraat over ‘terugruilen’. Maar er is helemaal geen terug, het andere, eigen kind, zal spiksplinternieuw zijn.

Aan het eind van het verhaal vindt Fredy Neptune zijn gevoel terug. Via een heel ingewikkelde weg. Hij dwingt zichzelf om mensen te vergeven. Maar niet de daders: Aboriginals, joden, vrouwen. En ten slotte, God.

Een onbegrijpelijke beweging, waarvan je toch het gevoel hebt dat die je iets te zeggen heeft. „Vergeef de Aboriginals. Wat moet ik vergeven?/ Ze hebben me nooit wat gedaan! Dat ze ons geweten bezwaren.”

Hebben we daarom behalve medelijden ook een lichte afkeer van slachtoffers? Omdat we ons schuldig voelen? Kan het daardoor zo gemakkelijk gebeuren dat mensen slachtoffers verjagen of ze juist met groot fanatisme verdedigen? Heeft Murray iets begrepen?

Dat heeft hij natuurlijk zeker, maar de vraag is hoe groot de algemene geldigheid daarvan is. In dit gedicht is het de apotheose, deze grote daad van pijnlijke en uiteindelijk vrijwel blasfemische vergeving. Maar die vergeving lijkt zo ongelooflijk verkeerd gericht. En dan denk je al snel: wat heeft vergeving er überhaupt mee te maken?

Moet de vrouw die het verkeerde kind heeft gekoesterd haar eigen kind vergeven? Dat klinkt ineens al minder gek. Ja dat moet ze waarschijnlijk wel, niet omdat haar eigen kind de schuld is, maar omdat ze zo hevig verbonden is met wat er mis is gegaan, wat pijn doet. Dan wordt vergeving een ander word voor ‘kom in het reine met X en alle associaties die je daarmee hebt’. En dan kan en moet natuurlijk ook God vergeven worden, de God die almaar beschuldigd is ‘na Auschwitz’ (en dan noem je maar één verschrikking), niet omdat je zo nodig hoeft te vinden dat God daar de schuld van was, maar omdat het beeld dat je van God hebt, als je dat hebt, onlosmakelijk is verbonden met Auschwitz en waar dat allemaal voor staat. Vergeven is dan een vorm van ontwarren.

Zo althans werkt het in dit gedicht, dat een moderne Ilias en Odyssee tegelijk is, wéér zo’n verhaal over vechten en thuiskomen en de goden die op onbegrijpelijke wijze ons lot besturen en ons voor onmogelijke keuzes plaatsen. Het antwoord van Les Murray is het antwoord van aartsbisschop Tutu: vergeving. Heel moeilijk, heel vreemd. „Er scheurde iets aan me.”