Utrechtenaar

Vanwege het burgemeestersreferendum in Utrecht was het weer even zover: twijfel in de media over de juiste aanduiding voor de inwoners van de stad Utrecht. Noem je die nu Utrechters of Utrechtenaars?

Onze taalintuïtie zegt: het kan allebei, en dat is ook zo. Een van de manieren om in het Nederlands de (mannelijke) inwoner van een plaats aan te duiden is door achter de plaatsnaam -er of -enaar te plakken. Zo kun je iemand uit Loosdrecht een Loosdrechter of een Loosdrechtenaar noemen – inhoudelijk is er geen verschil.

Waarom hoorde ik Aleid Wolfsen, inmiddels burgemeester van de Domstad, zichzelf dan corrigeren? „Wat ik voor de Utrechtenaars, uh, de Utrechters wil doen…”

En hij was lang niet de enige: Utrechter heeft in de media duidelijk de voorkeur, maar met enige regelmaat slipte er een Utrechtenaar doorheen.

Waarom zijn er woordenboeken die doen alsof Utrechtenaar niet bestaat en waarom wijzen de stijlboeken van onder meer NRC Handelsblad en Trouw deze vorm expliciet af?

Je zou het bijna niet geloven, maar dat komt vanwege sodomieprocessen die zo’n 270 jaar geleden in Utrecht zijn gevoerd. Om preciezer te zijn: op 12 januari 1730 verklaarde een Utrechtse huisbewaarder, Josua Wils genaamd, dat hij in de Domtoren twee mannen had betrapt die sodomie met elkaar pleegden. In het onderzoek dat volgde werd een compleet homoseksueel netwerk blootgelegd, dat zich tot ver buiten de grenzen van Utrecht uitstrekte. In de jaren daarna werden honderden homo’s opgepakt. In totaal werden 289 mannen vervolgd; 70 van hen werden ter dood gebracht, vele anderen werden verbannen en gefolterd.

Sinds die tijd zijn er in de volkstaal uitdrukkingen gesignaleerd waarin Utrecht in verband wordt gebracht met homoseksualiteit. Enkele voorbeelden: als bij het biljarten een bal van achter werd geraakt, zei men soms: die komt van Utrecht. Een 19de-eeuws rijmpje luidt: „Hoed u nu, hoed u dan, / Hoed u voor eene Utrechtschman.” In plaats van ‘hij is homo’ zei men hij is van achter de Dom of hij is van Utrecht, terwijl ook de uitdrukking een Utrechtenaar draagt zijn broek achterstevoren weinig aan de verbeelding over laat.

Het was de Grote van Dale die, overigens pas in 1950, voor het eerst vermeldde dat Utrechtenaar behalve ‘inwoner van Utrecht’ ook ‘homosexueel’ kon betekenen. Inmiddels is de betekenis ‘inwoner van Utrecht’ bij dit trefwoord helemaal komen te vervallen, en vermeldt Van Dale bij Utrechtenaar alleen nog ‘homofiel’ en ‘pederast’.

Ziedaar waarom de media, sommige stijlboeken en burgemeesters Utrechtenaar zo angstvallig vermijden. Omdat het op gezag van Van Dale lijkt alsof Utrechtenaar alleen seksuele betekenissen heeft. In feite is dat onjuist, want als je in Van Dale bij -enaar kijkt (maar wie doet dat?!), staat daar keurig dat dit achtervoegsel onder meer wordt gebruikt om de inwoner van een plaats mee aan te duiden, zoals in Utrechtenaar.

Kortom, Van Dale rekent Utrechtenaar wel degelijk goed, hoewel velen het op gezag van dit woordenboek vermijden.

Is Utrechtenaar ooit echt gebruikt voor ‘pederast’ (een verouderd woord voor ‘pedofiel’)? Ik heb daar nooit een bewijs voor gevonden. En het actieve gebruik van Utrechtenaar voor ‘homoseksueel’ ken ik alleen uit zeer beperkte kringen, namelijk onder corpsstudenten.

Het blijft curieus: omdat bijna drie eeuwen geleden in Utrecht homoseksuelen werden vervolgd, zijn er nu kranten, gemeentes en instellingen die het woord Utrechtenaar mijden als de pest. Of misschien beter: alsof je er aids van kunt krijgen.