Tiensuu prettig modaal

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Roman Kofman, met Ralph van Raat, piano. Gehoord: 13/10 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 16/10 , 20 uur.

Op de schouders van de vijftig jaar geleden overleden Sibelius, aan wie veel aandacht wordt besteed, komen dit seizoen in de ZaterdagMatinee ook hedendaagse componisten aan bod die door afkomst en/of muziek iets met Sibelius te maken hebben. Eerder de Zweedse Nederlander Klas Torstensson, dit weekend Sibelius’ landgenoot Jukka Tiensuu (1948). Tiensuu is naast componist ook klavecinist, dirigent en pianist, maar in al die hoedanigheden hier zo goed als nooit te horen.

Dat Tiensuu de toetsen zelf ook bespeelt, is goed te horen in zijn pianoconcert Mind (2000), dat bol staat van typisch pianistische vondsten. Meteen het begin is al op een onopvallende manier virtuoos: de solist speelt slechts twee verschillende tonen, maar produceert daarbij pianissimo tegelijk een reeks echo’s in een ritmisch complex verband. Die echo’s blijken de rode draad van het werk: voortdurend kaatsen muzikale ideeën heen en weer tussen orkest en solist, of krijgen gebeurtenissen een onverwachte naklank.

Het notenmateriaal dat Tiensuu gebruikt is niet al te ingewikkeld – vaak modaal, met soms duidelijke referenties: Rachmaninov-achtige arpeggio’s, impressionistisch gependel en in het tweede deel Air -Play, zelfs even een stukje ragtime. Maar Tiensuu plaatst al deze elementen in een vervreemdende context van in microtonen verglijdende orkesttonen, glazige klankspectra en desoriënterende echo’s. Het levert een hoogst toegankelijke muziek op, die toch onmiskenbaar eigentijds van karakter is.

In pianist Ralph van Raat (1978), inmiddels vaste Matinee-gast, had Tiensuu een ideale pleitbezorger. Snel repeterende noten, dromerig gekabbel en een incidentele veeg ín de piano – alles deed hij met souplesse en gezag.

De Tweede symfonie van Sibelius, de componist die nog altijd het muzikale beeld van Finland bepaalt, klonk onder leiding van dirigent Roman Kofman opvallend robuust.

Het eerste deel was wat ongenuanceerd, met een erg overheersende strijkersgroep en te weinig orkestrale schittering. Maar het werd allengs beter, met onder meer een prachtig Lento e suave in het derde deel.

Toch lukte het Kofman niet altijd spanning op te bouwen, vooral in de meer geëxalteerde passages: alleen crescendo is vaak niet genoeg om een obsessief herhaalde figuur ook echt urgentie te geven.