Plasterk in talencircus

Taal is een essentieel onderdeel van de nationale identiteit, verbonden met cultuur en traditie. Taal is een bindende factor en soms een bron van conflicten.

Ronald Plasterk, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verbaast zich erover dat in de instellingen van de Europese Unie zoveel verschillende talen worden gesproken. In het internationale academische circuit waar hij tot zijn ministersbenoeming werkzaam was, is het gebruik van één taal gemeengoed.

Vorige week, tijdens een lunch met de Vereniging van Europese Journalisten in het Haagse perscafé Nieuwspoort, sprak hij over het „talencircus” in Brussel. Plasterk zei zich te kunnen voorstellen dat Europa „één lingua franca” hanteert. Een gevoelig punt: als het Engels wordt, zal Frankrijk, om een dwarsstraat te noemen, daar nooit mee instemmen.

In het Europarlement en in de raden van ministers heeft iedereen het recht zich van zijn of haar eigen taal te bedienen. Dat levert een grote hoeveelheid vertalers op – een van de grote uitgavenposten – maar het werkt wel. De Europese Commissie kent zelfs een eurocommissaris voor ‘multilinguistiek’, de Roemeen Leonard Orban, die onlangs een bijeenkomst organiseerde over het belang van meertaligheid.

De kans dat Plasterk de Brusselse toren van Babel kan afbreken, is dus nul. Maar zijn uitspraak is ook op een andere manier politiek ongelukkig. ‘Dé Nederlandse identiteit’, weten we sinds de uitspraken van Máxima, bestaat niet. ‘Hét Nederlands’ ook niet. Maar er is wel een gemeenschappelijke taal, die door ruim 22 miljoen Nederlandstaligen wordt gesproken en geschreven. Dé minister van Cultuur kan die taal het beste koesteren en bevorderen.

Roel Janssen