Loevendie’s ‘Babylon’ kan veel diepgravender

Voorstelling: Babylon van Theo Loevendie door Ziggurat Ensemble. Regie: Javier López Piñon. Gezien: 13/10 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Herh. t/m 2/12 Den Bosch. www.zigguratensemble.nl

Al maakt Theo Loevendie in zijn vijfde opera Babylon een karikatuur van de componist die hij aanvankelijk zelf daarin zou spelen, de strijd tussen gezag en vrijheid, die in Babylon uitloopt op een muzikale en multiculturele spraakverwarring, is typerend voor de dubbele positie van Loevendie.

Loevendie is de jazz-musicus die ook een serieuze eigentijdse componist is. Al zijn opera’s hebben een sociaal-maatschappelijke dimensie. En Loevendie heeft ook langjarige banden met verschillende culturen, zoals al in 1977 bleek in Six Turkish Folkpoems.

In Babylon, waarvoor Loevendie de als ‘licht’ bedoelde genre-aanduiding ‘operina’ uitvond en ook zelf het libretto schreef, propageert de componist François de terugkeer naar de door hem gereconstrueerde oud-Babylonische muziek. Hij beroept zich op Plato, die ook al tegen vernieuwing was.

Een muziekgezelschap – samenvallend met zijn eigen multiculturele ensemble Ziggurat – zal die oude muziek zoveel mogelijk in authentieke vorm presenteren. Maar telkens rebelleren de musici tegen François. Ze spelen, zingen en jodelen als eigentijdse vrije muzikanten wat ze zelf willen. Ze zijn de kinderen van de vrijgevochten musici die in Loevendie’ s opera Naima (1985) al ageerden tegen de muur van de muzikale macht.

Het is ‘sabotage’, vindt François, in de vertolking door acteur Freerk Bos een steile frik, die tenslotte wordt bedolven onder een kakofonische muziekverwarring.

‘Een muzikale fantasie over leiding en misleiding’ noemt Loevendie zijn operina. Die thematiek: gecomponeerde muziek versus improvisatie, twijfel aan de autoriteit van de componist en de dirigent en de kloof tussen klassiek en eigentijds is interessant. De zo exacte componist-dirigent Pierre Boulez, in juni nog op hetzelfde podium van het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ waar Babylon nu werd uitgevoerd, krijgt een veeg uit de pan. En ook de ‘authentieke muziekpraktijk’ die terug wil naar het oude.

De muziek is de handeling, de musici komen in opstand tegen de Babylonische muziek van François door hun eigen muziek te spelen. Het levert een niet erg onderhoudende maar wel voortreffelijk gespeelde voorstelling op met een staalkaart aan oude en nieuwe wereldmuziek. De componist Loevendie is daarin een ware meester.

Maar diepgravender wordt de discussie in dit muzikale vormingstheater vijf kwartier lang niet. De regressieve opvattingen van Plato, die muzikale vernieuwing staatsgevaarlijk en zedenbedervend vond, waren al in 1976 aan de kaak gesteld door Louis Andriessen in De Staat.

En de gesaboteerde François had wel wat meer mededogen verdiend. Zijn tragiek is immers vergelijkbaar met die van Loevendie, wiens Flexio in 1979 bij het Concertgebouworkest „een inadequate première” met volgens de klagende componist „naar ruwe schatting 200 ongelijkheden, balans-, tempo- en andere fouten.”