Hoe ver kun je verwanten nog echt familie noemen?

‘Als je de vijftig bent gepasseerd, krijgt het genealogievirus je onvermijdelijk te pakken’, waarschuwde een wat oudere collega de 51-jarige Paul Link uit Amersfoort ooit. De collega kreeg gelijk en inmiddels kijkt Link tegen enorme vellen papier aan, met voorouders tot dertien generaties terug. Het bracht hem op de volgende lezersvraag: hoe ver kun je verwanten nog familie noemen?

Uiteindelijk zijn we natuurlijk allemáál familie van elkaar (geweest). Het cliché is waar, vertelt Gerard te Meerman, hoofddocent statistische genetica aan de Rijksuniversiteit Groningen: „Niet eens zulke verre familie. We zijn ooit met niet meer dan een paar honderd man uit Afrika vertrokken. De genen van alle Europeanen zijn dan ook net zo divers als die van één Afrikaanse stam.”

Maar daarmee weten we nog niet of de genen van Link nog overeenkomen met die van zijn verre voorouders. Met andere woorden: we willen dus weten tot welke generatie zijn DNA méér overeenkomt met dat van zijn voorouders dan met dat van een willekeurige vreemde.

Een spoedcursus erfelijkheidsleer: DNA bestaat uit chromosomen, de dragers van onze erfelijke eigenschappen. In totaal hebben we 46 chromosomen: 23 van vader, 23 van moeder. Van die 23 muteert per generatie ongeveer de helft. Bovendien is in 1 tot 2 procent van de gevallen in Nederland de vermeende vader niet de biologische.

„Het betekent dat de kans dat we genetische familie zijn na vijf generaties zó klein is geworden, dat de genen van een vreemde méér overeenkomen hebben met die van onze voorouders dan de onze”, vertelt Te Meerman. Na vijf generaties heb je 32 voorouders, met wie je gemiddeld 3 procent DNA deelt. Maar omdat je DNA niet in gelijke delen overerft, is de kans groot dat er geen enkele overeenkomst meer is tussen jou en een voorouder.

Te Meerman: „De grap is dat erfelijk koningschap in genetische zin helemaal niet bestaat. Na enkele generaties is er geen enkel direct DNA-verwantschap meer.”

Freek Schravesande