De vinder van het Nederlands

Het belang van Piet Hein, Karel Doorman en Willem de Zwijger is evident. Talloze Nederlanders haalden de geschiedenisboekjes niet. In deze aflevering van een anti-canon: Kenneth Sisam.

Ik stel me er altijd een kalme dag bij voor. Een stille morgen in de herfst, traag zeilende wolken, een paar krijsende meeuwen. Het is rond het jaar 1100. Van de kust van Vlaanderen vertrekt een kleine boot, met wat balen wol aan boord, en een paar passagiers. Een van hen is een bedroefd kijkende jonge monnik. Hij mag aan de overkant, in Engeland, zijn opleiding voortzetten. Hij zal er nog beter leren mooischrijven en overschrijven, maar daar denkt hij nu niet aan. Hij denkt alleen maar aan het meisje dat hij achterlaat en aan wie hij eigenlijk niet meer mag denken, als monnik. Ze zullen elkaar waarschijnlijk nooit meer zien.

Aan de overkant zal de jongen zijn intrek nemen in de abdij van Sint Andrew, in Rochester. Daar zitten al meer jongens van het vasteland, de meesten uit Normandië, overgekomen in het kielzog van Willem de Veroveraar. Onze jonge monnik doet zijn best zich aan te passen aan het weer en het eten en de rare Franse en Engelse dialecten om hem heen. Maar het valt hem zwaar, in deze eerste herfst, gevolgd door de lange, donkere winter. Hij denkt alleen maar aan haar. En als de eerste voorjaarsdagen zich aandienen, vraagt hij zich vertwijfeld af: waar ben ik aan begonnen? En kan ik nog terug?

Op een ochtend in mei staat hij in het scriptorium zijn pennen bij te snijden. Door de hoge ramen ziet hij de vogels hoog in de boom af en aan vliegen. Hij denkt aan wie hij achterliet. En hij schrijft, met zijn zojuist gepunte pen op zijn oefenblad, in zijn eigen dialect: „hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic / enda thu wat unbidan we nu.” West-Vlaams voor: zijn alle vogels nesten begonnen, behalve ik / en jij? waar wachten we nog op? Het is een vraag, maar eigenlijk een klacht, een liedje van verdriet. Van ellende probeert hij dan maar zijn eigen West-Vlaamse woorden van een Latijnse vertaling te voorzien, in evenveel woorden en lettergrepen, in precies dezelfde volgorde: „abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu / quid expectamus nunc.”

Hij veegt met de mouw van zijn pij de tranen uit zijn ogen, en gaat dan maar verder met zijn werk, de serieuze overschrijverij.

Niemand zal zijn wanhopige minnedichtje ooit lezen. Het kladvel belandt als schutblad in een boek met preken. Na vijf eeuwen verhuist het boek van Rochester naar Oxford. En ook daar is er eeuwenlang niemand die omziet naar de krabbels op het schutblad. Totdat in 1932 Kenneth Sisam het boek uit de kelders van de Bodleian Library omhoog laat komen en het nauwgezet bekijkt. Hij stuit op het schutblad op die dertien merkwaardige woorden waarvan hij ook niet meteen weet wat het precies is, maar wel vermoedt dat het ‘Netherlandish’ is. Hij schakelt meteen een Nederlandse deskundige in, M.J. Schönfeld, die zijn vermoedens bevestigt. Dit moet oud-Nederlands zijn, maar zulk oud oud-Nederlands is nog nooit eerder aangetroffen. De opwinding is groot. In zekere zin staan wij hier aan de wieg van de taal. Sindsdien begint het Nederlands met dit gedicht van dertien woorden.

Ruimen wij in de canon daarom een venster in voor de Engelse oud-germanist die onze taal alsnog van een begin voorzag – en wat voor begin. 1492: Columbus ontdekt Amerika. 1932: Kenneth Sisam ontdekt het Nederlands. Wie zijn ontdekkingsreis wil nareizen leze zijn verslag in The review of English studies, jaargang 9, 1933, p. 1-12. Op pagina 11 zien we daar het eerste Nederlands verschijnen – alsof je bij de bevalling van een taal aanwezig bent.

Natuurlijk is er toen al gauw het mooie verhaal omheen verzonnen van de verliefde monnik en het eenzame Vlaamse meisje, heimwee in een Engels klooster, nestelende vogels buiten en nesteldrang van binnen. Maar de wetenschap heeft sindsdien even krachtig geprobeerd het mooie verhaal te ontkrachten. Was dit eigenlijk wel een oude vorm van Nederlands, of eerder een soort oud-Kents? Was er niet nog ouder Nederlands, in de vorm van een bezweringsformule of doopbelofte? Was het wel een eigen tekst van een verliefde monnik – of een flard uit een of ander lied, gedachteloos door een verveelde pennensnijder ergens genoteerd? En was hier eigenlijk wel een man aan het woord? Misschien sprak hier wel een naar liefde hunkerende vrouw die nestas wilde hagunnan, zoals ze ook in allerlei andere Europese liefdespoëzie uit die tijd aan het woord komen.

Kenneth Sisam verdient een standbeeld, alsnog. Hij gaf ons in 1932 niet alleen een sterk begin van onze taal en een mooi verhaal (een nieuwe lente en een nieuw geluid), maar ook vele jaren werkgelegenheid voor de neerlandistiek.