‘Wij gaan niet weg’

Saro Lozano Parra (18) van Spunk spreekt met jongeren met een samenscholingsverbod

Annie Brouwer, de burgemeester van mijn nieuwe woonplaats Utrecht, wil in Kanaleneiland zo snel mogelijk een samenscholingsverbod voor jongeren invoeren. Volgens haar wordt de situatie onhandelbaar. De wijk zou worden geteisterd door Marokkaanse straatterroristen. De gevaarlijke jongeren zouden zelfs tot twee keer toe een cameraploeg van RTL de wijk hebben uitgejaagd.

De korpschef van de Utrechtse politie en de burgemeester zijn het beiden eens over de enige mogelijke oplossing, namelijk de rotkinderen vanaf twaalf jaar gedwongen uit hun probleemgezin halen en ze dan in speciale opvoedingscentra plaatsen. Lijkt me een topidee. Laten we het haar van deze jongeren dan ook meteen platinablond verven, in een scheiding kammen en ze blauwe ogen implanteren. Vervolgens steken we ze in strakke, groene pakken en laten we ze elk uur onder de Nederlandse vlag liederen zingen.

Als ik de wijk binnenloop zie ik hoge flatgebouwen omringd door groene hekken die hangjongeren moeten weren. Ik verwacht tasjesdieven die met zijn tienen rondjes om me heen gaan rennen, maar er gebeurt helemaal niets. De straten zijn leeg, op continu patrouillerende agenten na. Een stukje verderop hoor ik een harde piep in mijn oor. Mijn onderzoekend oog valt op een lantaarnpaal op de hoek van de straat. Er hangt een ijzeren doos aan. Als ik dichterbij kom wordt het gepiep harder. Het doet pijn aan mijn oren. Hier kan ik niet even tegen een muur gaan hangen. Een politiewagen stopt naast me. De politieman in de auto wenkt dat ik moet komen. Als ik ze vraag of ze me wat kunnen vertellen over het samenscholingsverbod en de piep-ga-weg-palen schudden ze nee. Ze mogen er niets over zeggen.

Ik loop door. Dan zie ik eindelijk vier lotgenoten. Of ik ze wat mag vragen over het samenscholingsverbod? Enthousiast schreeuwen de jongens van Marokkaanse afkomst door elkaar heen. Ze zijn blij dat ik geïnteresseerd ben in hun verhaal.

Hoewel ik zit te chillen in wat de gevaarlijkste wijk van Utrecht zou moeten zijn, voel ik me volkomen thuis tussen de jongens. Mohammed (16), Ali (16), Bilal (17) en Rachid (19) vertellen me dat ze het volledig onterecht vinden wat er gebeurt. „De hekken, de pieppalen, de politie en het verbod. Het is allemaal zo’n onzin”, zegt Rachid. „Dus echt niet dat we weggaan als het samenscholingsverbod eenmaal van kracht is.”

Mohammed, zwart leren jack en beginnend snorretje, is furieus dat hij zijn vrienden niet meer mag ontmoeten op straat. „Als de politie komt ga ik echt niet weg. Want waar moet ik heen? Ik ben hier geboren, weet je. Dit is mijn geboortegrond. Ik sterf ervoor als het moet.” Ze vertellen dat de politie iedereen over één kam scheert. Rachid schudt zijn hoofd. „Eén Marokkaan slecht, allemaal slecht, weet je.”

Mohammed knikt instemmend. „Er is hier maar één auto-inbraak geweest en één duwpartijtje. De media maken alles zó groot. Ik snap niet dat onze wijk in het nieuws is. Daarom is toen dat RTL-busje aangevallen hier. De media maken ons zwart, ze zetten ons neer als een stelletje criminelen, weet je.”

„Ik weet, ik weet”, antwoord ik bemoedigend in het Nederlands met een Ali B.-toontje. Ik voel met ze mee.

De voornamen zijn om privacyredenen gefingeerd. Dit is een ingekorte versie. Meer op www.spunk.nl