Waarom ABN Amro niet bestand was tegen een kudde financiële speculanten

De verkoop en opsplitsing van ABN Amro zijn een blamage voor Nederland. De ontkenning van het publieke belang en de exclusieve keuze voor een deelbelang zijn een radicale breuk met het verleden.

Menno Tamminga

Redacteur NRC Handelsblad

Brutalen hebben de hele wereld. Het is een verbluffend staaltje financieel machtsvertoon om in een mondiale kredietcrisis vol angst voor de verspreiding van ‘giftige’ effecten 70 miljard euro bijeen te brengen om de grootste Nederlandse bank te kopen. Om de bank te kopen tegen de zin van de directie. En de bank te kopen om haar activiteiten op te splitsen of door te verkopen.

De gelegenheidscombine van Royal Bank of Scotland, de Spaanse bank Santandèr en de Belgisch-Nederlandse financier Fortis is het gelukt. Zij zijn nu de baas bij ABN Amro. Met dank aan de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch, die het trio samenbracht, de geldstromen regisseerde en de bulk incasseert van de 660 miljoen euro advieskosten van het consortium.

De verkoop en opsplitsing van ABN Amro zijn symbool geworden voor de macht van ontketend kapitaal dat landsgrenzen overschrijdt en brutaal het allerhoogste eist: het allerhoogste rendement. De opheffing van ABN Amro vraagt om een antwoord op vragen als: kent Nederland nog een evenwichtige afweging tussen belangen van beleggers en werknemers? Is de politieke kleur van een kabinet nog van belang? Herhaalt zich de Hollandse historie van vergeetachtige elites?

ABN Amro bleek een gemakkelijk doelwit voor de kudde financiële speculanten die op gang kwam na de brief van hedgefonds TCI, the Children’s Investment Fund. TCI boekte eerder hoge winsten door een fusie van de Duitse beursorganisatie te blokkeren. TCI is een ongewone speculant: de helft van de winst gaat naar zijn eigen filantropische stichting. Afgelopen jaar: 340 miljoen euro. De combinatie van ‘hard beleggen’ en ‘zachte caritas’ onderstreept dat niets meer is wat het lijkt in het financieel gedreven kapitalisme.

In een brief van 20 februari 2007 eiste TCI maatregelen om het aandeelhoudersrendement rap te verhogen. De financiële kudde bezat in korte tijd zo’n dertig tot veertig procent van de ABN Amro-aandelen en steunde collega TCI. Opbreken die bank. Daar gíng de koers, ruim vijftig procent omhoog

Ook ABN Amro’s concurrenten ING en Rabobank gooiden hun gewicht in de schaal. ING is sinds jaren de grootste aandeelhouder van ABN Amro. Dat dateert uit de vorige eeuw toen de Nederlandse financiële wereld vervlochten was. Men kende elkaar, men was ook elkaars concurrent, maar men hield de grenzen gesloten voor een buitenlandse overname van een grote bank. Dat is sinds enkele jaren voorbij. ING boekt als belegger een miljard euro winst op het uitschakelen van ABN Amro.

De Rabobank stond net als ING garant voor het kapitaal dat Fortis nodig had om ABN Amro te kopen. Tussen coöperatieve en speculatieve banken blijkt in de praktijk niet veel verschil.

Die ene brief had overrompelende gevolgen. Stond ABN Amro zo zwak of stond de financiële kudde zo sterk? Hét argument van TCI was het belabberde rendement voor aandeelhouders, gemeten vanaf de benoeming van Rijkman Groenink als bestuursvoorzitter begin 2000. Niet dat TCI sinds die tijd aandeelhouder was. TCI begon eind 2006 aandelen te kopen en had begin dit jaar één procent verzameld. Dat maakt het fonds tussen de tienduizenden beleggers een majeure aandeelhouder.

Noodlijdend is ABN Amro nauwelijks. Winst: 1,2 miljard euro. Per kwartaal. De bank voerde wel een wisselvallig beleid: eerst vooral zakenbank willen zijn, dan vooral consumentenbank, met een klunzig uitgevoerde reorganisatie als vervolg en voortdurende kostenoverschrijdingen. Daar staat tegenover dat de bank de nummer één werkgever is onder hoogopgeleide potentiële werknemers.

Wisselvalligheid drukt de koers. Ondanks de lage koers vond de markt de bank kennelijk geen overnamekandidaat: dan had de kooplust de aandelen opgedreven. Op de aandeelhoudersvergadering klaagden sommige beleggers, maar niemand bond de kat de bel aan. Tot het eind toe steunden de commissarissen het beleid van Groenink. Zij hadden jarenlang ook geen opvolger achter de hand. Toen het erop aan kwam liepen zij achter de feiten aan. Na het mislukken van plan A (overname door de Britse bank Barclays) hadden zij geen plan B. Zij onderschatten, net als de banktop, de dadendrang van het consortium.

Conclusie tot zover: een diffuus beeld. Tot de TCI-brief de financiële kudde ‘losliet’. De vakbonden misten kracht voor effectief weerwerk, grote klanten bleven muisstil. Zoals hoogleraar Arnoud Boot (Universiteit van Amsterdam) in Het Financieele Dagblad observeerde: „Nu het erop aan komt, blijkt ABN Amro maar weinig vrienden te hebben gemaakt.” Te arrogant, te machtig, te luidruchtig uitgedragen dat Nederland een toevallige vestigingsplaats is.

Maar de verkoop van ABN Amro symboliseert ook de tegenstrijdige eisen die Nederland stelt aan de top van ‘zijn’ bedrijfsleven. Aan de ene kant staan politici, geldbeheerders en managers achter de macht van beleggers. Aan de andere kant wil de Nederlandse wet dat grote ondernemingen de belangen van álle relevante partijen behartigen, niet alleen het beleggersbelang, ook dat van werknemers. De twee rechtscolleges die een oordeel moesten vellen in de machtsstrijd rond ABN Amro bleken al net zo verdeeld. De een helde over naar het aandeelhoudersbelang, de Hoge Raad koos voor de bredere belangenafweging.

Het kabinet kan zich nu onderscheiden met het vastleggen van nieuwe normen en waarden in de machtsverdeling in het bedrijfsleven en niet te wachten op een volgend advies van een volgende commissie van wijze mannen.

Ook beleggers mogen zich, afgezien van hun vette koerswinst, tekortgedaan voelen door de Nederlandse regels. Nederland kreeg de beste informatie tijdens het biedingsproces hoofdzakelijk dankzij de rapportageplicht van ABN Amro en Royal Bank of Scotland bij de Amerikaanse beurscommissie. Nederland bevestigt zijn reputatie van slappe regelgeving.

Met 70 miljard euro is ABN Amro het grootste Nederlandse bedrijf dat tot nu toe in buitenlandse handen is overgegaan. Maar dat valt de kopers niet aan te rekenen. ABN Amro zelf zocht al een overname door Barclays. De Britse bank zou ABN Amro intact laten met uitzondering van de verkochte Amerikaanse consumentenbank LaSalle. Barclays’ concessie om het nieuwe hoofdkantoor in Amsterdam te vestigen was koren op de molen van het kabinetsbeleid om Nederland een aantrekkelijker vestigingsplaats te maken. Maar politieke steun voor het Barclays-bod werd nooit zichtbaar. Minister Wouter Bos (PvdA) van Financiën bleek van vergelijkbare liberale snit als voorganger Gerrit Zalm (VVD). Dat wekt bevreemding en schept wantrouwen: als politieke kleur lood om oud ijzer is, wat doen politici er dan toe?

In de 2006 editie van de 21.minuten.nl internetenquête zei 70 procent van de deelnemers dat zij buitenlandse overnames van Nederlandse ondernemingen problematisch vinden. Contrast: de Tweede Kamer heeft één keer, vooral procedureel, over de verkoop van ABN Amro gepraat. Volgende week houdt de Kamer een tweede debat. Dan is de overname al afgerond. Zo minimaliseren politici hun op zich beperkte invloed op zulke schokken in de financiële infrastructuur zelf nog eens extra.

Nederland staat erbij en kijkt ernaar. De wereld is een aandeelhouderswereld. Hun normen en waarden regeren. De enige die zijn nek heeft uitgestoken is president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank. Het is zijn taak als toezichthouder op het financiële bestel om risico’s vroeg te signaleren en, als het even kan, weg te nemen. Hoe gemakkelijk financiële instellingen kunnen ontsporen was de afgelopen weken zichtbaar: reddingsacties voor twee Duitse banken en een Britse bankencrisis met rijen ongeruste spaarders.

Elke opmerking van Wellink over de risico’s van het opbreken van ABN Amro werd direct gevolgd door een bestraffende reactie uit Brussel. Marktkrachten moeten hun heilzaam werk kunnen doen, is de Europese lijn. Hier kampt een deel van opiniemakend Nederland met de manke vergelijking met ABN Amro’s overname van de Italiaanse bank Antonveneta en de tegenwerking door de Italiaanse centrale bank. Antonveneta was de nummer acht bank in Italië, ABN Amro is nummer één hier. De Italianen wilden een buitenlander buiten de deur houden. Dat heeft Wellink nooit geprobeerd. En ABN Amro kocht de Italiaanse bank om te groeien, niet om de zaak op te breken met verlies van zesduizend banen.

Voor Nederland zijn de verkoop en opsplitsing een blamage. De grootste bank is deel van de financiële infrastructuur die een onmisbare vertrouwensrol speelt in economie en samenleving. Dat is geen proeftuin voor schoffelaars en spitters. Zoals oud-minister en oud-bankier Onno Ruding terecht opmerkte: een minister kan een hoop gedaan krijgen zonder iets op te leggen.

Maar het kabinet wilde geen arbiter zijn in de bankenstrijd en liet de markt beslissen. De markt kiest, zoals bekend, voor zijn eigen belang: het meeste geld. Andere belangen (banen, kennis & opleiding, Amsterdam als financieel centrum, uitstraling naar MKB, ontwikkeling Zuid-As) zijn voor kennisgeving aangenomen.

De ontkenning van het publiek belang en de exclusieve keuze voor een deelbelang zijn een radicale breuk met het verleden.

Van een land waarin managers alle juridische ruimte kregen en namen om hun bedrijf te beschermen tegen buitenlandse (vijandige) overnames is Nederland in een paar jaar veranderd in een land waarin alles kan en alles moet kunnen. Het beeld dat James Kennedy schetste van de politiek-maatschappelijke omwenteling in de jaren zestig en zeventig is trefzeker van toepassing op dat van de zakenlieden nu. In de jaren zestig schakelde de politiek-bestuurlijke elite razendsnel, zonder veel discussie en vrijwel massaal om naar de moderne nieuwe tijd, Kennedy’s spreekwoordelijke Nieuw Babylon. „De Nederlandse leiders schenen vaak hals over kop van de ene in de andere vernieuwing terecht te komen, zonder zich rekenschap te geven van vroeger beleid en voormalige standpunten”, schreef Kennedy, nu hoogleraar contemporaine geschiedenis aan de VU, in Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig.

Nu zijn het geldbeheerders, topmanagers en beleidsmakers die de vooruitgang hebben gezien. Als nieuwe bekeerlingen zijn zij de meest gepassioneerde behartigers van de nieuwe tijd en het primaat van de aandeelhouderswereld.

De ‘uitverkoop’ van Nederland is een compliment aan onszelf, zei staatssecretaris Frank Heemskerk van Economische Zaken (PvdA, voorheen ABN Amro). Dat klinkt als het Oranjegevoel van de handelaar op de Koninginnedag vrijmarkt: heerlijk, alles verkocht.

Uitverkopen en opbreken is hip en modern, bedrijven als ABN Amro zo houden is ouderwets. In een waarschijnlijk onbedoelde parallel met de jaren zestig kiest minister van Financiën Wouter Bos (PvdA) voor de typische vocabulaire uit die tijd om critici van zijn beleid te weerspreken. Zij vertonen ‘conservatieve trekjes’. Dat was na ‘fascist’ wel de zwaarste aantijging: wie durft nog conservatief te zijn? Maar nu is het kapitaal brutaal. De tijden zijn veranderd.