Postume verwantschap

De Vlaamse volkszanger is flamenco gaan zingen dankzij een eenarmige vriend.

‘Waarom zingt een Vlaamse zanger flamenco”, vraagt iemand uit het publiek, „in plat Antwerps nog wel?” „Heb je Spaanse familie?” wil iemand anders weten. „Heb je die gitaar van kindsbeen af?” De volkszanger laat de vragen over zich heen komen. Het optreden van meer dan een uur heeft hem uitgeput. Geruchten willen dat hem een zware chemokuur wacht, met slechts een minieme kans op genezing.

De andere muzikanten, Spanjaarden die in Antwerpen wonen, blijven eerbiedig naast hem op het podium. De zangeres, ruim in de vijftig, nauwelijks gemaquilleerd maar door een zeldzaam theatrale aura omgeven, op het hooghartige af, is het hele optreden door op haar stoel blijven zitten. Op het ritme van haar rauwe zang was ze wel steeds meer heen en weer gaan wiegen, hoekig bewegend met haar bovenlijf, steeds extatischer, tot ze klaaglijk uithalend met haar hoofd begon te rollen, de ogen gesloten, haar dikke ravenzwarte vlecht rondslingerend als een wentelwiek — een potsierlijke beweging als je er achteraf over nadenkt, op het moment zelf aangrijpend en expressief. Ze bet nu met een papieren zakdoekje het zweet van haar voorhoofd. Haar hooghartigheid is omgeslagen in treurige waardigheid.

„Ik ben er pas laat mee begonnen”, bekent de volkszanger zwakjes, terwijl hij zijn gitaar op de schoot laat rusten. „Dankzij een vriend met maar één arm.”

De oorsprong van het woord flamenco is al eeuwen onderwerp van discussie. De sierlijkste der waadvogels, de flamingo, heeft volgens sommigen zijn naam geleend aan de dans van vaak broodmagere zigeuners met hun kleurige kledij. Anderen voegen de Arabische woorden ‘felaq’ en ‘mengu’ samen, wat ‘boer op de vlucht’ betekent. De populairste verklaring legt een verband met Vlaanderen — ‘Flandres’. Na de Tachtigjarige Oorlog raakten veel Vlamingen op de dool, ontworteld, onbetrouwbaar, geneigd tot roof en misdaad. ‘Vlaming’ werd een verzamelnaam voor uitschot en marginalen. Tot in de negentiende eeuw een scheldnaam voor zigeuners, en zo ook voor hun muziek.

„Mijn vriend”, vertelt de volkszanger, „leefde, toen nog in het bezit van beide armen, in het land van Generalissimo Franco. Diens regime duldde geen tegenspraak, en al zeker geen spot. Laat dat nu de specialiteit wezen van mijn vriend. Ik kende hem nog niet, maar in Spanje waren zijn schotschriften in de jaren zestig even clandestien als populair. Op zoek naar de onverbeterlijke criticaster valt de politie binnen op de werf waar hij werkt als metselaar. Hij springt van een metershoge stelling af en ontkomt. Maar bij de val is zijn arm verbrijzeld — de arm van de hand waarmee hij zijn spotternijen schrijft. Een bevriende dokter amputeert hem, nog dezelfde avond. De operatie is maar net op tijd klaar: de politie doorzoekt het stadje, huis na huis. Zo begint de vlucht pas goed. In helse pijn, van dorp naar dorp, in het geheim. Geholpen door de verboden oppositie en door smokkelaars. Op een ezel de Pyreneeën over, Frankrijk in. Ook daar niet veilig – want hij dicteert nu zijn spotverzen, scherper dan ooit – moet hij opnieuw vluchten, steeds noordelijker, geholpen door een netwerk van vrijwilligers en politieke activisten. Zo steekt hij, met een inmiddels genezen stomp, ten langen leste de grens met België over en belandt op een mooie avond in Antwerpen.”

De zanger laat een pauze vallen, zogezegd om een slokje te drinken. Hij kan dat slokje gebruiken, maar hij kent ook de kracht van stilte en spanning op de planken. In de vroege jaren zeventig heeft hij, in opdracht van de Internationale Nieuwe Scène, voor Dario Fo’s Mistero Buffo liederen vertaald en gespeeld in het Antwerps. Een legendarische enscenering die furore maakte van Amsterdam tot Avignon. Zo werd hij een held. Jarenlang gaf hij les aan de toneel- en cabaretschool Studio Herman Teirlinck, waar hij het kruim van de Vlaamse acteurs en kleinkunstenaars hielp opleiden. „Als ik iemand het woord ‘kunstindustrie’ hoor uitspreken, is het alsof er een mes in mijn hart wordt geplant”, hoorde ik hem onlangs zeggen, bij de presentatie van een boek van een van zijn leerlingen, die het tot stadsdichter van Antwerpen had geschopt. Een baantje dat hij zelf had geweigerd. „Ik bén dat. Ik hoef dat niet te worden.”

„Tot zijn verbazing”, gaat hij verder, „hoort mijn eenarmige vriend in Antwerpen muziek uit zijn streek. Ze komt uit een open raam gerold. Een voorbijganger ziet hem wenen en begrijpt meteen hoe het zit. ‘Kom mee!’ zegt hij, ‘ik ken die mensen, het zijn landgenoten!’ Ik was, als enige Vlaming, ook te gast in die flat. We ontvangen er mijn latere vriend met open armen. We delen eten en wijn met hem, en we spelen muziek tot diep in de nacht. Als afsluiting speelt een van de muzikanten een lied over de dood van zijn moeder. Mijn latere vriend wordt lijkbleek. ‘Is dat echt gebeurd?’ vraagt hij. ‘Ja’, zegt de muzikant, ‘ze is door een ossenwagen tegen een muur geplet.’ Hij noemt de stad. Het is de geboortestad van mijn vriend. ‘Wanneer is ze begraven?’ stamelt mijn vriend. De muzikant noemt de dag. Mijn vriend valt hem wenend in de armen. ‘Mijn broeder’, zegt hij. ‘Omhels mij, pak mij vast. Wij zijn verwant!’ ‘Hoezo?’ vraagt de muzikant, in verwarring. ‘Na de amputatie heeft de dokter, conform de gebruiken en de wet, mijn arm in de kist moeten leggen van een iemand die diezelfde dag zou worden begraven. Een vrouw. Geplet door een ossenwagen. De arm waarmee ik schreef, is samen met jouw moeder begraven.’”

Wannes van de Velde overwon zijn ziekte. Hij speelt en zingt nog steeds flamenco.