Politici moeten geen historici willen zijn

Hoewel geen kerntaak, mag een parlement zich uiteraard met de geschiedenis bemoeien. Meestal eindigt zo’n debat in een appèl op de burgers om respect te tonen voor de historische feiten ter wille van de maatschappelijke consensus. Maar het lijkt nu een trend te worden dat een volksvertegenwoordiging het verleden bespreekt, als ware ze een wetenschappelijk instituut. Na de Assemblée Nationale in Frankrijk vorig najaar heeft deze week ook het Huis van Afgevaardigden in de VS zich officieel uitgelaten over de Armeense genocide van 1915. In Frankrijk is ontkenning ervan strafbaar. In de VS heeft een commissie van de volksvertegenwoordiging de erkenning van de gebeurtenis gekoppeld aan een veroordeling van het beleid van de huidige Turkse overheid.

Deze vorm van politieke historiografie is wél problematisch. Ze treedt al snel buiten haar eigen oevers en kan zelfs internationale consequenties hebben. Een voorbeeld is de wijze waarop het Oekraïense parlement de hongersnood van 1932/’33 heeft behandeld. In november 2006 nam de Verchovna Rada een wet aan waarin deze ‘golodomor’, veroorzaakt door de collectivisatie van de landbouw in de Sovjet-Unie, als genocide werd gekwalificeerd. Vervolgens nam het parlement een resolutie aan waarin de rest van de wereld werd verzocht hetzelfde te doen. Dat de ‘golodomor’ massamoord was, lijdt op grond van het bekende bronnenmateriaal weinig twijfel. Dat een open debat in Oekraïne zelf zinvol is, staat vast. Maar waarom zou de Tweede Kamer in Den Haag moeten volgen?

Het probleem van politici die historici willen zijn, heeft zo een principiële kant. Elk parlement doet politieke uitspraken. En politiek is in de kern een vorm van dwang. Zou die dwang er niet zijn, dan zou het parlement met recht een ‘praathuis’ mogen worden genoemd. Die dwang kan breidel worden als er per motie of wet wordt vastgelegd hoe over de geschiedenis moet worden gedacht en welke straf er staat op afwijkingen. De dreiging van wetenschappelijke breidel geldt zelfs historische feiten als de jodenvernietiging, de Goelag en de Armeense genocide.

De historiografie van die laatste volkerenmoord is buiten Armenië en Turkije meer en meer inzet van politieke besluitvorming. Ook in Nederland wordt geijverd voor een uitspraak daarover. De Tweede Kamer heeft sinds het voorjaar van 2006 op de agenda een wetsvoorstel staan, dat is ingediend door de ChristenUnie en dat ontkenning van de shoah of andere genociden strafbaar stelt. De initiatiefnemers willen zo Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en zeven andere lidstaten van de EU volgen.

Het lijkt vanzelfsprekend. De meeste ‘revisionisten’, zoals de ontkenners heten, zijn immers niet geïnteresseerd in academisch onderzoek, maar zijn er op uit haat te zaaien ter wille van hun eigen politieke gewin. Toch is het geen goed idee. Ten eerste omdat een verbod op ontkenning geen einde maakt aan antisemitisme, racisme of wat dan ook. Dat is het praktische argument. Ten tweede omdat een strafbepaling de suggestie wekt dat geschiedschrijving is onderworpen aan politieke besluitvorming. Dat is het principiële argument.

Geschiedschrijving is een discussie zonder einde, zoals de Nederlandse historicus Pieter Geyl ooit zei. Dat de Turken de feiten van de Armeense volkerenmoord onder ogen moeten zien, staat buiten kijf. Net zoals de Duitsers dat hebben moeten doen na de Tweede Wereldoorlog en de communisten zouden moeten doen ten aanzien van Stalin en Mao. Maar dat is geen politiek besluit dat zich in een wet laat verankeren. Wie dat wel wil, bewijst de geschiedenis een slechte dienst.