‘Mijn geloof in God wordt op de proef gesteld’

Herby Goedhard met zijn dochter: „De stamoudste wilde mij als familie accepteren, maar hij vond het dan wel prettig als ik ook moslim werd.” Foto Maarten van Haaff Nederland, Utrecht, 12-09-07 Shafiqie Rahmanzai. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

‘Ik ben opgegroeid met oorlog. Toen ik één jaar was vielen de Russen Afghanistan binnen. Mijn broer is gestorven in de oorlog en ook mijn oom en neven heb ik verloren. Later kwamen de Talibaan aan de macht en werd de situatie nog extremer. Er was altijd angst, je kon opgepakt of doodgeschoten worden. Toch heeft niets zo’n pijn gedaan als de verdwijning van Mari. Het gemis went niet – het wordt juist erger naarmate het langer duurt.

Mari is vier jaar ouder dan ik. Ik heb nog zes zussen en twee broers, maar met haar heb ik altijd een speciale band gehad. Ze was voor mij het oudere gezag, een soort moeder. Tegelijk steunde ze ook op mij en nam ze me in vertrouwen want ik ben de oudste zoon thuis. We zijn onafhankelijk van elkaar gevlucht en allebei toevallig in Nederland terechtgekomen. Sindsdien is de band nog sterker. Zij was de enige die ik hier had. Eén jongere zus is naar Engeland gegaan, de rest van de familie woont in Afghanistan.

De man van Mari is kunstenaar. Hij maakt schilderijen en portretten. Hun leven werd moeilijk onder de Talibaan. Hij kon zijn werk niet meer doen want de Talibaan zijn erg tegen kunst. In 1996 vluchtten ze naar Europa en daarna zijn we ze een tijdlang uit het oog verloren. Contact was niet mogelijk zodat we niet wisten waar ze naartoe waren gegaan. Toen ikzelf in 2000 om veiligheidsredenen voor de Talibaan vluchtte en in Nederland politiek asiel aanvroeg, wist ik dan ook niet dat Mari en mijn zwager hier al woonden.

Ik zat eerst in een asielzoekerscentrum in Haarlem en daarna in Leiden. In maart 2001 kreeg ik een verblijfsvergunning. Ik wilde graag participeren in de samenleving en ben de taal gaan leren. Daarna ben ik aan een studie begonnen. In Afghanistan had ik twee jaar medicijnen gestudeerd, maar hier besloot ik bestuurs- en organisatiewetenschap te gaan doen in Utrecht.

In het begin kende ik niemand. Ik zocht contact met Afghanen en ging naar hun feesten. Daar kwam ik er tot mijn grote verrassing achter dat mijn zuster ook in Nederland was. Zij bleek met haar gezin in Naarden te wonen, ze had inmiddels drie kinderen. Ik ben meteen naar ze toe gegaan.

We spraken elkaar vaak. Mari is heel lief en zorgzaam: als ik één of twee dagen niets van me had laten horen, belde ze om te vragen of het wel goed ging. Ik ging geregeld naar ze toe, maar op 20 en 21 maart 2005 – het was Afghaans Nieuwjaar – kon ik niet komen omdat ik het te druk had met een project voor mijn studie. Ze vond het niet leuk. Toch maakte ze er nog een grapje over. Ze zei: ‘Als het Nederlands Nieuwjaar is kom je wel en als het Afghaans Nieuwjaar is niet.’

De dag erna, dinsdag 22 maart 2005, was ik naar mijn vriendin in Ede. ’s Middags heb ik Mari nog even kort aan de lijn gehad. Het is de laatste keer dat ik haar heb gesproken. Om twaalf uur ’s nachts belde mijn zwager opeens. Hij maakte zich grote zorgen omdat hij niet wist waar Mari was. Ze was die avond met haar Afghaanse vriendin Samina uit Huizen een eindje gaan rijden in Samina’s auto. Mari had rijles, maar ze kon het nog niet zo goed. In de buurt van huis wilde ze daarom wat oefenen. Ze zouden even wegblijven, maar een paar uur later waren ze nog niet terug.

Het was niks voor haar om het zo laat te maken zonder iets te laten weten. Ze hadden een mobieltje bij zich maar dat was onbereikbaar. Mari ging nooit alleen op pad. Ze was een rustige huisvrouw en gek op haar kinderen. Met haar man had ze een goede relatie. Het is uitgesloten dat ze wegens psychische problemen het huis is uitgegaan. Ze was niet depressief. Er was volgens mijn zwager ook niets ongewoons aan haar te merken geweest voordat ze vertrok. Ze zou bovendien nooit iets doen wat de eer van de familie zou schaden, zo is ze niet opgevoed.

In eerste instantie dacht ik aan een ongeluk, maar bij de politie en het ziekenhuis die ik meteen heb gebeld was geen melding binnengekomen. Ik ben naar haar huis gegaan en de volgende dag zijn we daar in de omgeving gaan zoeken. We zijn bij het water gaan kijken, elke meter hebben we afgezocht maar er waren geen aanwijzingen dat ze in het water terecht waren gekomen. Ik heb toen diezelfde dag aangifte van vermissing gedaan.

Dat is nu tweeënhalf jaar geleden en tot op de dag van vandaag zijn ze allebei spoorloos. De auto is nooit gevonden. Er zijn geen getuigen, niemand heeft hen gezien. Ik heb alles gedaan wat in mijn mogelijkheid ligt. Er zijn foto’s verspreid, ik heb een beloning uitgeloofd voor informatie die tot een spoor zal leiden, ik heb een paar keer met Peter R. de Vries gesproken en met veel mensen die haar kennen. Op televisie is er twee keer aandacht aan besteed – het heeft niets opgeleverd.

Het is niet te begrijpen dat je in zo’n klein land kunt verdwijnen zonder een spoor na te laten. De politie heeft overal in het water gezocht, maar er is weinig kans dat ze daar nog iets vinden. Er wordt meer aan een misdrijf gedacht dan aan een ongeluk. De vriendin van Mari had problemen in de relatiesfeer. Ze was gescheiden. Haar man legde zich daar niet bij neer en zei dat ze nog steeds zijn vrouw was. Misschien heeft hij iets met de verdwijning te maken en was Mari een toevallige getuige die te veel had gezien. Ze kunnen ook het slachtoffer zijn geworden van de vijanden die Samina’s ex-man had in Afghanistan. Hij was daar betrokken bij drugs en smokkel; hij en Samina zijn indertijd gevlucht omdat ze bedreigd werden.

Het onderzoek loopt nog steeds maar ik krijg er weinig over te horen tot mijn teleurstelling. De politie is misschien bang dat wij ons er te veel mee willen bemoeien en het heft in eigen hand nemen. Ik zal dat niet doen. Als er sprake is van een misdrijf moet de dader zich verantwoorden voor de rechter.

Het is zo gek: je vlucht uit Afghanistan naar een veilig land en dan blijk je daar ook niet veilig te zijn. Ik vind het heel moeilijk naar haar huis te gaan en haar kinderen te zien opgroeien. De vader voedt ze alleen op. Ze zijn nu vier, tien en dertien jaar. De jongste was twee toen zijn moeder verdween. Eerst begreep hij het nog niet, maar nu hij naar school gaat en ziet dat veel kinderen gebracht worden door hun moeder dringt het tot hem door dat zijn moeder weg is. Hij vraagt naar haar en zegt tegen zijn vader: ‘Ik heb met mama gepraat.’

Ik heb soms ook het gevoel dat ze de deur zal opendoen en met het eten op mij wacht als ik naar haar huis ga. Ik droom over haar. Het houdt me dag en nacht bezig. Dat geldt ook voor mijn ouders, maar als ik bij hen ben probeert mijn moeder er niet te veel over te praten omdat ze zich zorgen maakt over mij. Soms ben ik depressief. Ik kan niet genieten van mijn leven, er is altijd dat verdriet. Psychische hulp heb ik nooit gezocht, ik denk niet dat ik er wat aan zou hebben.

Sinds haar verdwijning kan ik me slecht concentreren op mijn studie en andere dingen die ik doe. Ik heb een stichting voor de wederopbouw van Afghanistan opgericht. Van Nederland heb ik geleerd hoe je door hard werken en je kennis te gebruiken veel kunt bereiken. Niets wat je hier om je heen ziet is zomaar gekregen. Ik wil graag mijn land helpen en het democratiseringsproces stimuleren, vooral voor jonge mensen. Het gaat onder andere om het opzetten van schoolprojecten en een bouwbedrijf. Daar was ik al mee begonnen voor de verdwijning van Mari, ik heb er inmiddels veel tijd en energie ingestoken en toch komt het niet goed van de grond. Ik ben met mijn hoofd hier. Het is alsof ik niet verder kan met mijn leven.

Het wordt nu een oude zaak en je merkt dat het meer op de achtergrond raakt. Ik wil dit verhaal onder de aandacht brengen omdat het niet vergeten mag worden. Er moet iemand zijn die meer informatie heeft. Misschien kan hij zichzelf ertoe brengen in zijn hart te kijken en naar de politie gaan om te vertellen wat hij weet. Ik blijf hopen dat we nieuwe aanknopingspunten vinden. De waarheid zal ooit boven water komen. Mari verdient dit niet, ze heeft nooit iemand kwaad gedaan. Ik ben moslim. Het geloof speelt een belangrijke rol in mijn leven, maar mijn vertrouwen in God wordt wel op de proef gesteld. Het geloof verlangt dat je geduld moet hebben, maar ik ben niet iemand die gaat zitten wachten. Soms word ik zo kwaad dat ik niets kan doen. De onzekerheid is het ergste: leeft ze nog of niet? Ik heb pas rust als ik weet wat er is gebeurd.

Opgetekend door Noor Hellmann