Mijn allergie

Deze week verscheen het door Jaap Dronkers geschreven ‘Ruggengraat van ongelijkheid; beperkingen en mogelijkheden om ongelijke onderwijskansen te veranderen’. Deze publicatie is mede uitgegeven door de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid. Het bevat een beschrijving van de onderwijspolitieke opvattingen van de sociaal-democraten in de vorige eeuw, afgesloten met enkele, vrij willekeurige suggesties om de ongelijkheid in het onderwijs af te zwakken. Dit alles wordt voorafgegaan door een beschrijving van de processen die bijdragen aan onderwijsongelijkheid, die alles bij elkaar meer dan de helft van de ongeveer tachtig pagina’s tellende tekst beslaat.

Zonder verder in te gaan op de inhoud daarvan, wilde ik deze tekst gebruiken ter illustratie van een kwaal waaraan ik lijd en waar ik, met de opkomst van de sociale wetenschappen, steeds meer last van heb gekregen. Het gaat hierbij om een allergie, een gevoeligheid die, zoals Van Dale vermeldt, ziekelijke reacties veroorzaakt. De oorzaak van die allergie is gelegen in teksten die in hun vanzelfsprekendheid nietszeggend zijn. U weet dat mensen met een bepaalde ziekte geholpen kunnen worden door de wetenschap dat zij niet de enige zijn die daaraan lijden. Zo vond ik het indertijd een hele troost te merken dat ik niemand minder dan George Orwell een medepatiënt mocht noemen. Die ontdekking deed ik jaren geleden toen ik in de bundel Inside the Whale een essay las met als titel Politics and the English Language.

Om u een beeld te geven van mijn kwaal 'selecteer ik voor u uit het boekwerkje van Dronkers enkele passages. Hier volgt de eerste:

“De eerste baan na het definitief verlaten van het onderwijs is erg belangrijk maar niet allesbepalend. Ook blijft het niveau en de richting van het voltooide onderwijs van invloed op de verdere kansen op de arbeidsmarkt. Wel wordt het directe effect geringer en het effect van de laatste baan steeds groter.”

Ik denk niet dat het mogelijk is iemand te vinden die hier anders over denkt. Wat bezielt iemand om een dergelijke open deur op te schrijven? Dat vroeg ik me ook af bij het lezen van de volgende passage over scholing en partnerkeuze: “Onderwijshomogamie betekent dat partners met een gelijk scholingsniveau een veel grotere kans hebben om met elkaar te trouwen dan partners met een ongelijk scholingsniveau. Hoe groter het verschil in scholingsniveau, hoe onwaarschijnlijker het is dat partners met elkaar trouwen. Op dit punt is het niet belangrijk of partners formeel trouwen of samenleven, want de onderwijshomogamie onder samenwonenden verschilt nauwelijks van die van getrouwden.”

Over de effecten van echtscheiding op kinderen ook al opzienbarend nieuws: “De beëindiging van de relatie tussen de al dan niet getrouwde ouders heeft op hun kinderen een negatieve invloed, zowel op hun onderwijskansen als op andere welzijnsaspecten (ziekte, geestelijke stabiliteit, kans op misdadigheid). De scheiding zelf is niet de enige oorzaak hiervan, een deel van de problemen ligt bij de pre-scheidingskenmerken van de ouders en hun kinderen (persoonlijkheid; vermogen tot communicatie en samenwerking) en bij de heftigheid van de ruzies voorafgaand aan de scheiding.”

Ik vraag me in alle oprechtheid af of ik de enige ben die moeite heeft met een dergelijke aaneenrijging van vanzelfsprekendheden. Wat zeg ik, moeite? Het is veel erger, ik vind het verschrikkelijk, een belediging voor iedere lezer met een beetje gezond verstand. Maar misschien ben ik wel een van de weinigen die aan deze ziekte lijdt.

lgm.prick@worldonline.nl