Lugubere stilte rond Birmese pagode

Twee weken na het gewelddadige optreden van het Birmese regime heerst in Rangoon een angstige stilte. Politie en leger rollen het verzet op. Een verslag van binnenuit.

Rangoon, 13 okt. - Door de straten rond de Shwedagon-pagode, schuifelt een groepje jonge novicen. Met hun zwarte bedelnappen onder de arm geklemd doen zij zwijgend de ochtendronde, om aalmoezen en eten op te halen. Een oude monnik volgt de ontwakende straat schichtig vanachter een groen luik in een van de kloosters. De in saffraan geklede monniken die tot twee weken geleden het straatbeeld in Rangoon bepaalden, zijn zeldzaam geworden.

Op de stoeptreden van een groot klooster aan de voet van de brede trap die naar de pagode leidt, duiden rijtjes groene legerlaarzen op de nieuwe bewoners. Deze straat, aan de heilige oostzijde van de Shwedagon, was het toneel van het brute optreden van het leger en de politie tegen de monniken.

Twee weken geleden liet het Birmese generaalsregime het vuur openen op demonstrerende monniken en burgers. Verhoogde brandstofprijzen waren de aanleiding voor de dagelijkse protesten, die langzamerhand uitgegroeiden tot betogingen tegen het regime.

Boven rond de grote gouden Shwedagon-pagode, Birma’s belangrijkste boeddhistische heiligdom, hangt een lugubere stilte. In plaats van gebeden, geschuifel van honderden voeten over de marmeren tegels en gerinkel van belletjes, klinkt slechts het gekras van kraaien.

„Ik heb de Shwedagon nog nooit zo leeg gezien”, fluistert een toeristengids, geschrokken door de stilte en de aanwezigheid van zwaarbewapende, gehelmde, soldaten die volgens hem „de gewijde vredigheid verbrijzelen”.

Tijdens de razzia’s die twee weken geleden volgden op het politie-ingrijpen zijn volgens officiële cijfers tot nu toe 18 kloosters doorzocht. Daarbij ging het er zeer ruig aan toe en zijn hele kloosters leeggehaald, ook de oude dametjes die daar zaten te bidden moesten mee.

Nu worden er langzamerhand mensen vrijgelaten. Een van de weinige monniken die over zijn ervaringen durfde te vertellen spreekt van onmenselijke omstandigheden waaronder hij samen met 400 anderen opgesloten zat in een van de leegstaande schoolgebouwen, buiten het centrum van de stad.

De ruimte was zo klein dat zij om beurten moesten slapen. Ze mochten niet naar de wc, hadden geen water, zodat de stank na korte tijd zo overweldigend werd dat zij zelfs het weinige eten, een kommetje rijst de man, niet meer door hun keel konden krijgen.

De gewonden, velen met hoofdwonden, kregen geen medische verzorging. Het hoofd van een monnik, die als de zoon van Boeddha wordt beschouwd, is het heiligste deel van zijn lichaam.

Veel Birmezen kunnen geen woorden vinden voor wat de monniken is aangedaan. Ze verkeren in ‘shock’. Het optreden van leger en politie tegen monniken heeft hun in het diepste van hun religieuze ziel getroffen. Anderen zijn laconieker en voorspellen dat het regime met het gewelddadig ingrijpen „zijn eigen graf heeft gegraven”.

„Ons verzet is een nieuwe fase ingegaan”, stelt een sociaal werkster die meegelopen heeft in de demonstraties.

[Vervolg Birma: pagina 5]

‘Mijn mensen wachten biddend op de klop op de deur’

„De val van het regime is een religieuze kwestie geworden”.

Een lerares die achter de schermen meehielp zegt: „De demonstraties waren een succes, want we hebben in ieder geval duidelijk kunnen maken hoe we ons voelen”.

De religieuze ordes zijn de laatste jaren sociaal geëngageerd geraakt doordat zij dagelijks met de armoede van de bevolking werden geconfronteerd. Zij zagen dat steeds meer mensen eten uit hun eigen monden spaarden om de monniken te kunnen voeden (en zegeningen konden ontvangen).

In een van de arme buitenwijken van Rangoon, waar 50 procent van de kinderen ondervoed is, stonden kinderen al jaren restjes eten van de monniken te bedelen, een ongekend verschijnsel in een boeddhistische samenleving waar het geven van aalmoezen aan monniken en nonnen een religieuze daad is.

„Het lijkt er nu op dat het verzet met succes de kop is ingedrukt. Maar niets is minder waar”, zegt een onderwijzeres die achter de schermen aan de demonstraties heeft meegewerkt trots. En ze put hoop uit de vanzelfsprekende solidariteit die onder de betogers heerste. Een lang vergeten houding in een samenleving waar onderling wantrouwen een tweede natuur is geworden.

De emotie klinken door in een van de vele theehuizen in de stad. De eigenaresse houdt haar hand over haar mond als ze bijna onhoorbaar fluistert dat ze bang is. Haar echtgenoot voegt daaraan toe, als hij er van overtuigd is dat er geen spionnen tussen zijn klanten zitten: „Ik voel een woede in mij borrelen, daarom weet ik dat de demonstraties nog niet voorbij zijn”. Een van de klanten zegt af te wachten, klaar om weer mee te doen.

Om de moed erin te houden, en het momentum te bewaren plegen veel mensen kleine, inventieve daden van verzet tegen het regime.

Een studente vertelt dat zij T-shirts en stickers wil laten maken met het teken: „Verboden voor vuurwapens”. Anderen kwamen op het idee om krantenfoto's van Than Shwe, de militaire leider van de militaire junta, om de nek van straathonden te hangen. Een ooggetuige vertelde gniffelend dat „vier honden waren gearresteerd”. Toen omstanders moesten lachen om het absurde tafereel van een boze soldaat die achter een hond aan rende om hem te ‘arresteren’, blafte de soldaat: „Waarom lachen jullie, willen jullie soms dood”?

En zo zijn er meer ideeën. Ondergrondse leiders die nog niet vast zitten communiceren via de telefoon met Birmeestalige radiostations in het buitenland en geven nieuwe actieplannen door. Een van deze plannen is om 12 uur ‘s middags allemaal 4 minuten binnen blijven.

Ondertussen gaan de nachtelijke razzia’s door. „Het is de vraag hoe systematisch en georganiseerd de inlichtingendiensten zijn”, zegt een lokale journalist, „maar ze nemen de tijd om aan de hand van videobeelden en foto’s van de demonstraties, via wijkwachten en spionnen, mensen te identificeren. Niemand is veilig. Zelfs mensen die langs de kant van de weg stonden, klapten of gebeden prevelden, zijn opgepakt”.

Ook binnen families heerst angst. „Vrijwel iedere familie telt wel een soldaat, een monnik en een ambtenaar”, zegt de sociaal werkster. In haar eigen familie weet zij ook niet wie zij moet vertrouwen. „Ik vertrouw mijn broer niet, dus praat ik niet met hem, en mijn broer vertrouwt mijn vader niet. Zo heeft dit regime familiestructuren stuk gemaakt”.

Voor velen is de toenemende angst dat zij opgepakt zullen worden ondraaglijk. „Mijn werknemers kunnen ‘s nachts niet meer slapen”, zegt een medewerker van een internationale organisatie. „Zij wachten biddend op de klop op de deur.”

Maar toch zijn steeds meer Birmezen vastbesloten door te gaan. Want zoals menigeen zegt: „Als we het nu niet doorzetten dan zitten we er weer 20 jaar aan vast”.

De naam van de auteur is om veiligheidsredenen weggelaten.