Leraren kweken

Er dreigt een massaal tekort aan leraren. Er moet, volgens het rapport Rinnooy Kan, op korte termijn iets gedaan worden zodat het beroep van leraar weer aantrekkelijk wordt. Te veel goed opgeleide jongeren kiezen voor alles behalve het onderwijs. Rinnooy Kan denkt de oplossing te vinden in een hogere beloning en meer mogelijkheden voor bijscholing, wat met nog wat andere zaken zou moeten leiden tot een betere uitstraling van het vak. Ik ben er niet van overtuigd dat daarmee voldoende motivatie van jongelui te kweken is.

Wij wilden vroeger ook niet leraar worden toen wij studeerden. We werden het toch. Eigenlijk vooral omdat het zo’n handig bijbaantje was. Je begon zonder diploma of met alleen het kandidaats ergens 10 uur les te geven, je werd er heel aardig voor betaald. Daarnaast bleef je studeren, want na vier jaar hoefde je al geen collegegeld meer te betalen. Je stelde het afstuderen jaren uit, en je kreeg in de gaten dat dat lesgeven eigenlijk wel mooi was, en tamelijk makkelijk ook. Bovendien aantrekkelijker dan een kantoorbaan. Dus bleef je hangen op die school waar je begonnen was en haalde na een flink aantal jaren je doctoraal. Zo ging het met veel van mijn vrienden en medestudenten. Zo is het met mij niet gegaan, omdat ik na twee jaar les geven met niet meer dan een kandidaatsdiploma, meende nog niet voldoende te weten. Ik keerde full time terug naar de universiteit. Ik bleek door mijn ervaring opeens veel gemotiveerder, ik haalde hogere cijfers, ik durfde te argumenteren, ik kreeg een baantje als studentassistent, en op de dag van mijn doctoraal werd ik wetenschappelijk medewerker. Van mijn ervaring met lesgeven op de middelbare school heb ik altijd veel profijt gehad. Alleen al omdat ik begreep hoe moeilijk schijnbaar eenvoudige dingen kunnen zijn.

Hoe werden wij indertijd leraar? We werden opgebeld door smekende schooldirecteuren zodra we een kandidaats hadden. De directeuren plozen de lijsten van geslaagden na en probeerden telefoonnummers uit, zo desperaat waren ze door het tekort aan leraren. En we gingen erop in, omdat we colleges konden blijven volgen naast het baantje. We bleven nog lang studenten, want onze interesse ging uit naar de studie. We wilden geleidelijk aan de maatschappij in en onze ongebonden status nog niet meteen opgeven.

Zouden de studenten van nu veel anders zijn? Ik betwijfel het. Waarom is er zo veel belangstelling voor een aanstelling als promovendus aan de universiteiten? Hoe komt het dat er op zes plaatsen voor AIO’s bij geesteswetenschappen 150 sollicitaties binnenkomen? Ondanks het gebrek aan status, het gebrek aan zekerheid voor een toekomstige betrekking, de geringe honorering en de mare van eenzaamheid die er aan het AIO-dom hangt, staan er drommen kandidaten klaar. En het is werkelijk geen benijdenswaardige baan. Iemand heeft eens uitgezocht dat het aantal zelfmoorden onder AIO’s beduidend hoger ligt dan onder bouwvakkers van dezelfde leeftijd. Dat het zelfmoordpercentage onder nadenkende en dus tobbende intellectuelen zonder meer hoog ligt, spreekt wellicht voor zich. Bouwvakkers halen overigens ook hoge mortaliteitscijfers, door niet als zelfmoord geregistreerde ongelukken omdat ze zich niet aan de beveiligingsvoorschriften houden, of doordat ze in het weekend op motoren over snelwegen over de kop slaan. Maar in principe is de status van AIO zowel benijdenswaardig als betreurenswaardig. Ikzelf, en velen met mij, heb moeten promoveren naast mijn werk, naast de colleges, naast de bestuursverplichtingen. Ik ben er soms wel jaloers op, dat zij vier jaar alleen zich in de diepte kunnen begeven, ongestoord kunnen doorwerken. Maar tegelijkertijd is het ook een ramp. Je bent nog maar net 22, 23 en je zit de hele dag in je eentje met je onderwerp, dat je aangrijnst als een monster dat voortdurend weet te ontsnappen aan je pogingen het te bedwingen. Het onderwerp van je proefschrift is als een inktvis met duizend armen die in een rechthoekig blik gepropt moet worden, maar zó dat die duizend armen weer zichtbaar worden als het blik door de promotiecommissie geopend wordt. Je staat er doodalleen voor, ook al is je promotor nog zo begeleidend. Je hebt niet eerder een boek geschreven, je hebt een fysieke afkeer van het verplichte strakke schema van hoofd- en subvragen, van de voorgeschreven stand-van-zaken en van de gebruikelijke opsomming: `in hoofstuk 1 stel ik de vraag aan de orde – in hoofdstuk 2 geef ik een nadere uitwerking etcetera’. Het gaat mij aan het hart als ik die jonge mensen gadesla in hun eenzaam getob. Omdat ik nog nooit een gelukkige AIO gezien heb, zou ik het huidige systeem willen omruilen voor een systeem waarmee enige vliegen in één klap geslagen worden.

Wat ligt meer voor de hand dan een oplossing waarbij de ambitie van zoveel studenten en de behoefte aan zoveel leerkrachten gecombineerd wordt? De studenten willen langer studeren. De scholen willen meer academisch gevormde leraren. Als er nu een nieuwe soort aanstelling voor jonge leraren ingesteld wordt, is de oplossing in zicht. Plasterk creëert de zogenaamde LAIO: de leraar-assistent in opleiding. De LAIO krijgt een full time aanstelling op een school. Hij geeft 10 uur les en daarnaast schrijft hij of zij een proefschrift. Dat wordt stevig begeleid vanuit de universiteit. Daardoor leidt de LAIO een minder eenzaam en minder ivoren-toren-achtig bestaan heeft dan de AIO. Hij hoeft niet te tobben en te wanhopen aan de zin van zijn bestaan. Maar hij verdient meer dan de AIO en vooral: hij heeft status. Hij zal straks de felbegeerde doctorstitel behalen, die hem werkelijk op de maatschappelijke ladder doet stijgen. De school profiteert van de aanwezigheid van de academische leraar.

Het AIO-systeem bestond vroeger niet. Je promoveerde in je vrije tijd, met een enkele uitzondering in vooral de Bèta-wetenschappen. Moeten we terug naar de gedreven amateur die onbetaald als een soort vrijwilliger in zijn vrije tijd een proefschrift schrijft? Daar pleit ik niet voor. Ik zou de voltijds AIO-zeker willen handhaven, zij het dat ik die liever in een werkplaats, in een soort laboratoriumsituatie zou willen zien dan in individuele projecten, ook bij de Geesteswetenschappen. Ook voor de zogenaamde buitenpromovendus, de echte vrijwilliger, moet plaats blijven. Maar daarnaast zou er de categorie van de betaalde leraar-onderzoeker kunnen komen, die zich verbindt in een jaar of vijf een proefschrift af te ronden en daar normaal voor betaald wordt en begeleid. Er zou een omslag bij NWO en Den Haag voor nodig zijn, maar het zou het peil van het onderwijs zeer ten goede komen, de academisch geschoolde leraar terug brengen in de klas en de status van de leraar bevorderen. Want waarom zou men eerst promoveren en dan pas les gaan geven? Een combinatie maakt het mogelijk om èn voor een redelijk salaris te werken èn te blijven studeren.

Johannes van Vloten, de 19e eeuwse neerlandicus, hield zijn verloofde zeven jaar aan het lijntje. Hij wilde niet trouwen voordat hij zijn liefje een zekere toekomst kon garanderen. Pas toen hij zijn dissertatie klaar had, trad hij in het huwelijk. Dat kan toch niemand verlangen van een hedendaagse verloofde.