‘Langzamerhand krijg ik een overdosis mij’

Kinderboekenschrijver Marjolijn Hof (51) won vorige week de Gouden Griffel met haar debuut ‘Een kleine kans’ dat al eerder werd bekroond. Ze is getrouwd met Otto en heeft een dochter, Jotte. Gisteren eindigde de Kinderboekenweek. „Een Openbare Bibliotheek die de Kinderboekenweek negeert. Verbijsterend.”

Marjolijn Hof

Vrijdag 5 oktober

Ik mis een portier. Iemand die bepaalt wat er in mag en wat niet. Er komen te veel indrukken binnen. Sinds de uitreiking ben ik een koppoter, het hoofd zit zó vol dat er niets meer bij kan. Ik ben niet opgewassen tegen zoveel prikkels. Een zekere overgevoeligheid is handig bij het schrijven, maar nu is het vragen om problemen. Af en toe gaat er iets fout. Er is sprake van: vergeten (verjaardagen, uit de metro stappen), kwijtraken (fietssleutel, belangrijke papieren en bijna de Gouden Griffel), omgooien (vazen) en verstrooidheid (de verkeerde winkel binnenlopen). Maar niets wordt mij kwalijk genomen. Iedereen snapt dat het véél is.

Ondertussen gaat het gewoon door. Ik word nog steeds bedolven onder kaarten, bloemen en heel veel mail. Men spreekt mij ook regelmatig streng toe: „Geniet!”

Zaterdag

Het grote geregel is achter de rug. De afgelopen dagen ging voortdurend de telefoon. Donderdag, op weg naar de BNR radiostudio, belde ik op het perron, in de trein en in de metro. „Ik ga nu de tunnel in”, hoorde ik mezelf zeggen. Ik begon me vreselijk te schamen.

Vandaag is de belfrequentie weer normaal. Iets boven nul. Het programma voor de Kinderboekenweek is rond.

Ik ben op weg naar Rotterdam. Ik lees de krant en kijk af en toe naar buiten. De wereld is er nog. Nu ik even rust heb, dringt het tot me door. De Gouden Griffel! Ik doe wat me is opgedragen: genieten. Tegelijkertijd is er een bevrijdende relativering. Alles schuift voor even op de goede plaats.

De Kleine Kapitein in Rotterdam is een gezellige winkel. Het loopt niet storm, want alles moest op het laatste moment geregeld worden. Ik vind het niet erg. Ik heb tijd om praatjes te maken en handen te schudden.

Tegen lunchtijd word ik opgehaald door Ruud Verstraaten van boekhandel Het Verboden Rijk. We brengen een bliksembezoek aan het Sofia Kinderziekenhuis. Daarna rijden we naar Roosendaal. In de winkel wacht een enthousiaste leesclub onder leiding van een nog enthousiastere leerkracht. Zo’n leesmeester wens je ieder kind toe. Aan het eind van de dag, als ik op het punt van vertrekken sta, komt een moeder twee exemplaren van Een kleine kans kopen. Ze heeft twee jongvolwassen dochters. Destijds werd hun vader naar Bosnië uitgezonden en ze hebben dat nog steeds niet helemaal verwerkt. De moeder hoopt dat het boek alsnog een beetje zal helpen, zeker nu de vader misschien naar Afghanistan zal worden uitgezonden. (Een Kleine Kans gaat over Kiek, een meisje dat zich zorgen maakt als haar vader als arts in een oorlogsgebied gaat werken.) We praten een tijdje. Het ontroert me. Eén van de dochters is mee. Ik vraag of ze haar vingers in haar oren wil stoppen en vertel de moeder hoe het verhaal afloopt. Voor de zekerheid.

Zondag

Otto is goud waard. Hij neemt bijna het hele huishouden over. Ook Jotte wil graag helpen. Ze belt me regelmatig. Ik moet beloven haar in te schakelen als het nodig is. Ik beloof het. Echt? Echt. Nu zijn man en dochter samen vertrokken. Een rondje hardlopen in de duinen.

Ik zit in mijn badjas aan tafel en lees de kranten. Het plaatselijke zondagsblad ligt bovenop de stapel. Langzamerhand krijg ik een overdosis mij, maar toch lees ik de berichten die ik tegenkom door. „Schrijven is net een soort breien”, zeg ik in een artikel over het boekenfeest in het Zaantheater. Ik lees het nog een keer. Het staat er echt. Tussen aanhalingstekens.

In de loop van de ochtend vertrek ik naar Utrecht. De chaos in, het is koopzondag. Via Hoog Catharijne en de Oude Gracht loop ik naar de Ganzenmarkt. In de kinderboekenwinkel ga ik achter een tafeltje zitten. Ik signeer en tussendoor geniet ik van de sfeer. (Ja, ik geniet alweer. Ik heb geen aansporing meer nodig.) Het is mooi om te zien. Kinderen mogen een boek uitkiezen en weten het even niet meer. Het fijne van deze winkel is dat er volop geaarzeld mag worden. Al duurt het eindeloos.

Maandag

Om kwart over acht staat er een taxi voor de deur. Ik word naar Aalsmeer gereden voor een optreden in Lijn4 van RTL. Ik zie er een beetje tegenop, want ik heb begrepen dat het iets met een belspelletje te maken heeft. Maar dat valt wel mee, is mij verzekerd. Het is hoe dan ook goed dat het programma aandacht aan jeugdliteratuur wil besteden. In de studio word ik hartelijk ontvangen. Het stelt me gerust dat ik in goed gezelschap ben – Peter Blok zal na mij worden geïnterviewd. Een onbedaarlijk schoolreisjesgevoel maakt zich van mij meester. Peter Blok en ik zitten op een bank aan de zijkant van het decor te wachten. We kijken naar allerlei belspel-rekwisieten. Er gaat een wereld voor me open.

Het gesprek zelf gaat aardig. Ik voel me een beetje in het nauw gedreven wanneer er een vraag gesteld wordt over het leesgedrag van hét Nederlandse kind. Ik doe liever geen algemene uitspraken zonder betrouwbare gegevens. Van één antwoord heb ik achteraf spijt. Ik zeg als er een beetje wordt aangedrongen dat Een Kleine Kans zeker geschikt is voor kinderen tot 13 jaar. Een domme opmerking. Ik ben het absoluut niet met mezelf eens. Ik geloof helemaal niet in een leeftijdsbegrenzing. Ik had moeten zeggen dat het boek geschikt is voor lezers tot tachtig jaar. Op z’n minst.

Thuisgekomen heb ik tijd om boodschappen te doen. Ik heb zelfs tijd om te koken. Ik zet een muziekje op. Er blijkt een cajun-cd in de speler te zitten. Die past wonderwel bij mijn stemming. Hupserig, met een vleugje weemoed.

Dinsdag

Geen afspraken. Ik beantwoord zoveel mogelijk mail. Dik Zweekhorst, mijn redacteur, belt vanuit de trein naar Frankfurt om te vragen hoe het gaat.

Later op de dag komt Vincent Mentzel langs. Normaal gesproken ben ik bang voor fotografen. Ze jagen altijd iets weg en dan moet ik zonder dat iets op de foto. Doodeng. Ze doen het niet expres, dat weet ik ook wel, maar ze doen het wel. Vincent Mentzel is bijzonder. Hij jaagt niets weg. Hij is overrompelend op een geruststellende manier. Voor het eerst vind ik het niet eng om te poseren.

Tegen een uur of vijf loop ik naar de bibliotheek. In het gebouw is van de Kinderboekenweek niets te merken. Een verborgen feestje, denk ik nog even, wat een fantastisch idee (het thema is dit jaar Sub Rosa en alles draait om geheimen), maar zelfs in het verborgene wordt er geen extra aandacht aan kinderboeken besteed. De bibliotheek Zaanstreek laat het afweten. Het ligt niet aan de medewerkers, die willen wel. Ik heb zelf jarenlang voor dit bedrijf gewerkt en ik ken het enthousiasme van mijn ex-collega’s. Het is een beleidskwestie. Ik weet dat het budget krap is, maar dat is geen excuus. Voor bijna geen geld kun je er een feestje van maken. Ook dat weet ik uit ervaring. Een Openbare Bibliotheek die de Kinderboekenweek negeert. Verbijsterend.

Woensdag

Om 8 uur in de uitzending van radio FM Amsterdam. Een telefoongesprek. Ik ben er nog steeds niet handig in. Het heeft iets te maken met de afstemming – mijn radar werkt niet goed in dit soort situaties. Achteraf ben ik niet tevreden.

Otto heeft een mp3-speler opgehaald. Ik moet de komende dagen veel op pad en ik ben te moe om lang achter elkaar te lezen. Ik ga de trein in met Andrew Bird en Bach. Ik moet naar Dordrecht en dat is een flink eind weg.

De Giraf is een huiselijke kinderboekenwinkel vol mensen met stevige wortels in het boekenvak. Medewerkers van de openbare bibliotheek op de hoek komen ook even langs. Iedereen is even hartelijk. Ik heb hier niet alleen jonge, maar ook volwassen lezers. Dat is mooi. Er ontstaat een gesprek over het verschil tussen jeugdliteratuur en boeken voor volwassenen. Het gaat om kwaliteit en niet om leeftijd, wordt er gezegd. Daar ben ik het mee eens. In mijn rugzak zit een verhaal van Arnold Lobel: Bij Uil thuis. Wie dat leest begrijpt waar het om gaat. Is het een kleuterverhaal? Ja, maar veel meer dan dat. Het is een fantastisch boek. Leeftijdsloos.

Donderdag 11 oktober

Vandaag ga ik naar Amsterdam, naar de kinderboekenwinkel op de Rozengracht. Geen verre reis dit keer. In de winkel is het vrij rustig, maar dat hindert niet. Er is genoeg te zien. De stoel van Paul Biegel, om maar iets te noemen. En er hangen briefjes met geheimen aan de muur. Er is ook genoeg om over te praten. Ze houden hier van boeken, dat is duidelijk.

Janetta de With van Querido komt aan het eind van de middag even kijken. We reizen samen naar het station.

In de trein snak ik opeens naar rust. Naar tijd om te werken. Ik wil het even niet meer over mezelf hebben. Ik denk aan de stoel van Paul Biegel. Een klein vierkant stoeltje is het, met een geborduurde zitting. Ik kan me niet voorstellen dat hij daar lekker op gezeten heeft. Maar wat kon die man schrijven.