Kluitjesvoetbalbeleid

Ronald Plasterk en Jaap Dronkers: Beloon de sisyfusarbeid van de vmbo-leraar. Marlies Hagers

Minister Ronald Plasterk van Onderwijs in debat met Jaap Dronkers, hoogleraar sociale stratificatie en ongelijkheid. foto Roel Rozenburg Den Haag:9.10.7 'Debat' tussen Jaap Dronkers en minister Plasterk nav verschijnen van boek 'Ruggengraat van ongelijkheid' © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

“Op pagina 85 lees ik dat Jo Ritzen de voorlaatste sociaal-democratische minister was. Ik denk ‘dat klopt helemaal niet, wie kwam er daarna dan nog?’ En ineens realiseer ik me: o ja, dat ben ik.” Aan het woord minister Ronald Plasterk tijdens een debat met onderwijssocioloog Jaap Dronkers, eerder deze week over Dronkers’ boekje ‘Ruggengraat van ongelijkheid’. Dat boek beschrijft onder meer welke fouten sociaal-democraten (in heel Europa) hebben gemaakt toen zij via het onderwijs de ongelijke kansen wilden bestrijden. Plasterk maakte duidelijk dat hij niet toegevoegd wil worden aan het rijtje PvdA-bewindslieden die, zoals vaak gezegd wordt, ‘het onderwijs om zeep hebben geholpen’. En hij benadrukte dat de grote onderwijsvernieuwingen door alle partijen, niet alleen de PvdA, werden gedragen. Kluitjesvoetbal noemde hij dat tijdens het debat. “Iedereen zit op dezelfde speelhelft en houdt opvattingen overeind die al niet meer haalbaar zijn. En ineens komt de omslag en hollen we met z’n allen naar de andere helft. Je ziet het nu gebeuren. Iedereen heeft het ineens over kennisoverdracht en over toetsen. Het kluitje heeft zich verplaatst.”

parlando

Plasterk prees het boekje van Dronkers omdat het zo “parlando geschreven” is. Maar de minister vroeg zich ook af op welke gegevens deze en al die andere eindeloze beschouwingen over onderwijs gebaseerd zijn. “In zo’n CPB-rapport bijvoorbeeld over de staat van het onderwijs zie ik wel erg vaak staan ‘effect niet bekend’”, zei Plasterk. “Ik wil veel meer evidence-based theorieën zien.” Er is zo weinig zekere kennis in het onderwijs, verzuchtte de minister. Dronkers verzekerde hem: “Over onderwijsongelijkheid weten we heel veel, bij elke zin in mijn boek zou ik stapels voetnoten kunnen toevoegen.” Maar, zei hij ook, “je kunt niet alles experimenteel toetsen.”

Plasterk bracht vervolgens zelf de leraar ter sprake, omdat hij die bij Dronkers miste. “Als we niks doen dan hebben we over zeven jaar een enorm lerarentekort.” De rol van de leraar is belangrijk, zei Plasterk, “de stem van meneer Maassen of juf van der Hout blijf je je hele leven horen op momenten dat je je er gemakkelijk van af probeert te maken: ‘Jongen, jij kan toch beter’.”

“Ik noem de rol van de leraar zeker wel als factor van onderwijsongelijkheid”, reageerde Dronkers. Die komt tot uitdrukking in een ongelijke verdeling van de goede leraren over de scholen. “Op een moeilijke school werken is sisyfusarbeid”, zei Dronkers. “De beste leraren blijven daar niet.” Dronkers wees Plasterk erop dat de onderwijsongelijkheid die hierdoor ontstaan is in Nederland, erg groot is in vergelijking met andere Europese landen. Als je dit wilt aanpakken zul je “aan de onderkant meer moet doen”. Dat vond Plasterk ook. Hij plaatste kanttekeningen bij de nadruk die het rapport-Rinnooy Kan legt op beloning via hogere scholing. “De vmbo-leraar zal geen master gaan halen”, zei Plasterk. “Voor die leraar moet je óók prikkels zoeken.” Over twee weken komt zijn plan om het dreigende lerarentekort op te lossen.